KOOI, Willem Bartel van der
Nederlands schilder (1768-1836)
* 1768, Augustinusga, Friesland – † 1836
Zijn onmiskenbaar schildertalent werd ontwikkeld door lessen bij schilders waarvan de namen thans geheel verbleekt zijn: Harmen Wouter Beekkerk, schilder o.a. van behangsels en schoorsteenstukken en de uit Doornik afkomstige Johannes Verrier, wiens eigenlijke beroep te Leeuwarden solliciteur-militair was.
Op 30-jarige leeftijd werd Van der Kooi lector in de tekenkunde aan de Hogeschool te Franeker. Ook bezocht hij regelmatig de schilderijengalerij te Düsseldorf, die destijds veel schilders aanlokte tot kopiëren.
Grote bekendheid kreeg Van der Kooi, toen een van zijn werken een prijs van Dfl. 2000,- ten deel viel op de in 1808 op initiatief van Koning Lodewijk Napoleon georganiseerde kunsttentoonstelling in het Paleis op de Dam.
Deze tentoonstelling trok veel aandacht, zoals onder meer blijkt uit een schets van Jurriaan Andriessen in het Rijksprentenkabinet, voorzien van de aantekening: ‘uit kunstliefde wordt men hier platgedrongen’.
In Friesland oefende Van der Kooi door de lessen die hij gaf een grote invloed uit op de na hem komende generatie van schilders, vooral portretschilders.
Werken:
Portretten geschilderd door Willem Bartel van der Kooi:
Dirk Jacobs Ploegsma, geboren Leeuwarden 19 februari 1769 als zoon van Jacob Dirks en Christina Idzardi.
Hotse Johannes (van der Veen), herbergier te Augustinusga (1760-1827) en Klaske Sybrens Ruardi (1757-1843).
Anna Charlotte Didier de Boncour (1748-1802), Henricus van der Haer (1751-1811, Bonifacius van der Haer (1778-1827), Elisabeth Catharina van der Haer (1776-1823), Daniel Bonifacius van der Haer (1781-1831).
Georgius Coopmans (1717-1800)
Johannes Mulder, geboren Franeker 15 mei 1769, overleden 18 november 1810 te Groningen, trouwt te Dronrijp 30 november 1794 Hyke Sophia Saagmans.
Gelske Wierts / Wierds , waarvan door Mulder in 1798 op 18-jarige leeftijd te Dronrijp een dijbeen werd afgezet. Ze herstelde geheel en leefde 26 jaar later nog, was inmiddels gehuwd en kreeg 5 kinderen. Zie Huwelijksakte Menaldumadeel (mairie Dronrijp), 1816. Man: Tjalling Paulus Tuinstra, oud 40 jaar. Ouders: Paulus Johannes en Japke Akkes. Vrouw: Gelske Wierds, oud 33 jaar. Ouders: Wierd Sipkes en Antje Johannes. Datum: 29 september 1816, akte nr. 11. De verblijfplaats van het schilderij is onbekend.
Nicolaas Pierson Tholen, geboren Franeker 3 maart 1797, overleden 7 april 1819 te Leiden.
Jan Coopmans, geboren Franeker 10 maart 1767 als zoon van Georgius, overleden 29 maart 1848 te Franeker
Magdalena Hilarius, geboren Franeker 6 april 1778, overleden 1855 te Brummen
Haye Tjallings, geboren Bergum 5 juni 1736, overleden 15 januari 1806 te Bergum.
Jetske Hayes, geboren 19 mei 1779 te Bergum.
Johannes Caspar ten Behm Wentholt, geboren 6 maart 1780 te Leeuwarden, overleden Franeker 6 september 1806.
Everwinus Wassenbergh, geboren Lekkum 25 september 1742, overleden Franeker 3 december 1826.
Harmanus Bosscha, geboren Leeuwarden 18 maart 1755, overleden Amsterdam 12 augustus 1819.
Albertus Brondgeest, geboren Amsterdam 2 december 1786, overleden 30 juli 1849.
Immanuel Capadoce, geboren Amsterdam 1751, overleden 9 januari 1820.
Adriaan Pieter Twent, geboren Delft 5 februari 1745, overleden Wassenaar.
Jeronimo de Vries, geboren Amsterdam 9 april 1776, overleden 1 juni 1853, trouwt 26 juni 1803
Maria Gijsberta Verhoesen, ged Amsterdam 25 februari 1780, overleden 2 september 1833.
Tjalling Hayes Haisma, geboren Bergum 21 oktober 1781, overleden Bergum 12 mei 1867.
Johanna Schaap, ged Leeuwarden 20 juli 1763, overleden 26 juli 1810.
Johannes Baptist Kobell, geboren Delfshaven 8 november 1778, overleden Amsterdam 23 september 1814.
Jan Wentholt, geboren Franeker, overleden Alkmaar 17 september 1857.
Pieter ten Behm Wentholt, geboren Franeker, overleden 21 november 1864.
Jan Hulswit, geboren Amsterdam 11 april 1766, overleden Nieuwer Amstel 8 augustus 1822.
Bernard Walraad van Welderen Rengers, geboren Ysbrechtum 29 maart 1777, overleden Leeuwarden 23 september 1823.
Louisa Christina Alberda van Bloemersma, geboren Niekerk, overleden Leeuwarden 19 mei 1855.
Nieskia Reiniera Wentholt, geboren Franeker 18 juni 1789, overleden Franeker 9 mei 1862.
Binne van der Kooi, geboren Franeker 23 april 1806, overleden 22 juli 1830 Leeuwarden.
Haye van der Kooi, geboren Franeker 18 oktober 1807, overleden Velp 10 november 1890.
Sybrandus Fockema, geboren Dokkum 7 mei 1777, overleden Leeuwarden 13 december 1848, trouwt Leeuwarden 13 januari 1806
Johanna Jacoba Bekius, geboren Dokkum 21 mei 1778, overleden Leeuwarden 16 november 1845.
N. Kerstjes, 1814 commissaris politie te Harlingen.
Sjuck van Welderen Rengers, geboren Groningen 8 november 1799, overleden Leeuwarden 22 oktober 1870.
Edzart Reint van Welderen Rengers, geboren Groningen 23 mei 1801, overleden Den Haag 28 december 1848.
Willem Carel Gerard van Welderen Rengers, geboren Groningen 27 mei 1802, overleden Lemmer 5 juli 1836.
Henriette Maria Elisabeth van Welderen Rengers, geboren Ysbrechtum 9 juni 1804, overleden Leeuwarden 6 juli 1866.
Egbert van Welderen Rengers, geboren Ysbrechtum 5 juni 1809, overleden Utrecht 14 januari 1837.
Hessel Risselada, geboren Franeker 21 april 1762, overleden Franeker 14 december 1823.
Willem Hylles Swart, geboren Oostermeer 9 januari 1751, overleden Oostermeer 18 augustus 1831.
Nicolaas Baur, geboren Harlingen 23 september 1767, overleden Harlingen 28 maart 1820.
Robert van Breugel, geboren Den Bosch 26 juli 1791, overleden Den Haag 23 november 1873.
Willemina Geertruida van Idsinga, geboren Leeuwarden 20 november 1788, overleden 3 mei 1819 Leeuwarden.
Quirina Jacoba van Andringa de Kempenaer, geboren 10 oktober 1801 te Lemmer, overleden Leeuwarden 7 juli 1873.
Michael Onuphrius thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, geboren Rinsumageest 21 juli 1776, overleden Den Bosch 26 augustus 1863.
Catharina Maria Johanna Hermanna van Asbeck, geboren Leeuwarden 1 januari 1790, overleden Den Bosch 7 maart 1855.
Geertruida Stijl, geboren Harlingen 17 december 1751, overleden Leeuwarden 14 december 1826.
Antje Weidema, geboren Leeuwarden 16 mei 1766, overleden Bolsward 9 februari 1850.
Lucia Petronella Wentholt, geboren Franeker 6 augustus 1794, overleden Franeker 12 mei 1867.
Antoon Anne van Andringa de Kempenaer, geboren Lemmer 3 december 1777, overleden Den Haag 13 juni 1825.
Anna Maria Catharina Alberda van Ekenstein, geboren Groningen 16 april 1779, overleden Groningen 29 september 1854.
Jacobus Scheltema, geboren Franeker 14 maart 1767, overleden Utrecht 25 september 1835.
De tekenles van Anna Charlotte Didier de Boncour
Gesigneerd en gedateerd midden boven: W. B. v.d. Kooi / inv. Et fec. 1793,
Olieverf op doek: 42,5 x 52 cm. - Fries Museum, Leeuwarden.
‘De tekenles’ heette dit schilderij, toen het eind 1969 op een Zwitserse veiling werd aangeboden. Centraal geplaatst zien we dan ook een dame aan een tafel zitten, die met de ene hand een tekenstift hanteert en met de andere hand een blad omhoog houdt, waarop zij zojuist een kop en ren profiel getekend heeft, om die door haar leermeester te laten keuren. Deze maakt een wijzend gebaar naar een eerder gereed gekomen blad, dat op tafel ligt, samen met tekengerei en een schetsboek.
Om deze twee figuren heen, die met opzet zo geplaatst zijn, dat zij het meeste licht vangen, bevindt zich een aantal andere figuren in het vertrek. De opbouw van deze kamer, met name de indeling van de wand is eenvoudig classicistisch, waarbij Als middelpunt fungeert een naar men aannemen mag in grisaille geschilderde nis, waarin drie putti zijn geplaatst. Twee daarvan zitten en hanteren respectievelijk penseel en papier en tekenstift, zodat zij de schilder- en tekenkunst symboliseren. Achter hen staat een gehelmde putto met een lans. In de hoeken boven de nis is ons schilderij gesigneerd en gedateerd W.B. v.d. Kooi/inv. Et fec. 1793.
Kort na aankomst van dit werk in het Fries Museum viel al de treffende gelijkenis op tussen de afgebeelde leermeester en een zelfportret van Van der Kooi, Het is duidelijk, dat wij met de schilder zelf, ‘de schilder in zijn wereld’ geconfronteerd werden.
Van de twee vrouwelijke leerlingen van Van der Kooi, wier namen ons bekend zijn, was de ene in de tijd, dat dit schilderij geschilderd werd 5 jaar oud, de andere omstreeks 45. Deze laatste zou derhalve in aanmerking kunnen komen om geportretteerd te zijn. Haar naam was Anna Charlotte Didier de Boncour en zij was de echtgenote van de griffier van het Friese Hof, mr. Henricus van der Haer.
Het aanvankelijk ontbrekende bewijsmateriaal werd gevonden bij de tegenwoordige familie Van der Haer, die over pastelportretten van de hand van Anna Charlotte beschikte, n.l. een zelfportret en een portret van haar man, een zoon en een dochter. Aan de hand van deze pastels kwam men tot de conclusie, dat Van der Kooi hier het moment heeft vastgelegd, waarop mevrouw Van der Haer door haar familie wordt afgehaald na het beëindigen van de tekenles. Zojuist zijn binnengekomen haar echtgenoot, het hoofd gedekt met een driekante steek, en de zoon Bonifatius van der Haer, die een modieuze hoed met drie gespen draagt, terwijl de dochter Elisabeth Catharina wellicht degene is die rechts in de geopende deur verschijnt. Tenslotte, maar dat blijft een gissing, zou de figuur, die links aan tafel zit, met zijn rug naar de beschouwer toe, de jongste zoon Daniël Bonifatius kunnen zijn. Identificatie van de andere personen op het schilderij is niet mogelijk gebleken. Wij nemen aan dat het jongetje, dat aan de linkerzijde van de tekenares staat, kort tevoren geposeerd heeft voor de tekeningen in rood krijt, die zij gemaakt heeft.
Evenmin is bekend of wij hier met een bestaand of een gefingeerd interieur te doen hebben. Indien deze kamer bestaan heeft, dan moeten we hem zoeken ten huize van Van der Kooi, gezien de allegorie op de schilder- en tekenkunst op de achtergrond en het feit, dat de leden van de familie Van der Haer bijna allemaal hoeden dragen en dus bezoekers zijn.
Het is interessant nog even stil te staan bij het kostuum van de mannen, omdat men daarin een weerspiegeling ziet van de generaties, Henricus van der Haer, de grieffier, draagt een geklede jas met grote kleppen op de zakken en een bijpassende driekante steek, een mode die omstreeks deze tijd in onbruik begint te geraken. Van der Kooi, een generatie jonger, is gekleed in een kleurig rokkostuum, dat tegen het eind van de 18de eeuw aan de Engelse mode ontleend werd. Het meest modieus en het kleurrijkst is echter de zoon Bonifatius, tien jaar jonger dan Van der Kooi, met zijn hoed met drie gespen, lange wandelstok en gestreepte vest.
Eén figuur in het vertrek hebben wij nog over het hoofd gezien, en dat is het hondje onder de tafel. Dit roodbont gevlekte hondje behoort tot het in friesland inheemse kooikerras en werd gebruiklt om de eenden in de vangpijpen van de eendenkooien te lokken. Dit jachtbedrijf vindt al eeuwenlang in friesland plaats. Dikwijls waren de kooien dicht bij een boerderij gelegen, de ‘kooiplaats’, aan welke dan familienamen als Kooistra en Van der Kooi ontleend werden. In het geval van ons schilderij kunnen wij het hondje dus min of meer als signatuur opvatten.
De Minnebrief
1808
Fries Museum, Leeuwarden
Vadervreugde
1816
Fries Museum, Leeuwarden