KANT, Immanuel
Duits wijsgeer (1724-1804)
* 22-4-1724, Koningsbergen - † 12-2-1804, Koningsbergen
Kant was een der grootste denkers aller tijden en grondlegger van de nieuwe wijsbegeerte, was de zoon, van een zadelmaker te Koningsbergen en werd streng in piëtistische geest opgevoed. Hij heeft de omgeving van zijn geboortestad nimmer verlaten en is steeds ongehuwd gebleven. In 1755 werd hij privaatdocent en in 1770 hoogleraar aan de Koningsbergse Universiteit. In 1796 legde hij zijn professoraat neer.
Gewoonlijk onderscheidt men bij Kant een vóórkritische en een kritische periode. In de vóórkritische periode staat hij onder invloed van het Duitse rationalisme van Leibniz, Crusaius en Wolff, van het Engelse empirisme (Newton, Hume) en van de Franse geest, vnl. van J.J. Rousseau. Maar in 1771 is hij bezig met een werk over ‘de grenzen van de zintuiglijke waarneming en van de rede’. Daarmee was Kant gekomen in wat men de kritische periode noemt. Want dat werk zou uitgroeien tot drie grote werken, waarvan het eerste vooral een geweldige omwenteling in het wijsgerig denken teweeg zou brengen, nl. Kritik der reinen Vernunft (1781). Het tweede werk, Kritik der praktischen Vernunft, verscheen in 1788, en in 1790 verscheen: Kritik der Urteilskraft.
In Kritik der reinen Vernunft onderzoekt Kant de grenzen en mogelijkheden van ons denken. Daarbij stelt hij zich tussen het dogmatisch denken en het empirisme in en formuleert zijn ‘transcendentale’ (wèl te onderscheiden van ‘transcendent’!) methode. Hij onderzoekt hoe ons denken – dat reeds vóór alle waarneming bestaat (a-priori) en met de categorieën waarvan wij de waarnemingen ordenen – tot reële oordelen kan komen. Ware kennis van de werkelijkheid is gebaseerd in de structuren van het kennisproces zelf. Maar zij heeft de waarneming nodig, want ‘alle denken zonder waarneming is leeg, zoals alle waarneming zonder denken blind is’. Zo komt hij tot het “Ding An sich’, waarvan wij niets kunnen zeggen, omdat wij van de dingen alleen dát kunnen kennen wat wij er door bewerking met onze denkcategorieën van gemaakt hebben.
Zo ook ontdekt hij dat tijd en ruimte slechts “Anschauungsformen’ zijn van de mens, niet-werkelijkheden buiten ons om. Alle gegeven ervaring wordt door ons verstand geordend, maar onze rede wil ze tot eenheid brengen. Zij projecteert het onvoorwaardelijke, het absolute, de idee. De ideeën zijn projecties van onze rede in een oneindig verschiet. Hoewel zij alle ervaring te boven gaan – ziel, kosmos, God – kunnen wij zonder de ideeën niet uitkomen. Wij kunnen ze niet bewijzen, evenmin weerleggen, en zij zijn voor ons regulatief noodzakelijk. Daarmee had Kant een einde gemaakt aan de tot dan toe geldende metafysica. Maar tegelijk was daarmee voor de komende generaties een nieuwe basis gelegd, die zij, hoezeer ook soms andere wegen bewandelend, niet meer konden verlaten.
In Kritik der praktischen Vernunft vervult de idee als idee der vrijheid een praktische functie. Ons zedelijk handelen moet, wil het zijn waarde behouden, geheel onafhankelijk zijn van vrees of ander eigenbelang. Daarom formuleert Kant de ‘kategorische Imperativ’: handel zó, dat gij de mensheid, zowel in uw persoon als in persoon van ieder ander, altijd als doel en nimmer als middel beschouwt.
Hoe nu vrijheid en causaliteit tot een synthese kunnen komen, wordt in Kritik der Urteilskraft onderzocht. Wij staan waarderend in de werkelijkheid. Dat kan zijn teleologische, dat kan zijn esthetisch. Het doel is echter alleen in het subject, nooit in het object. De schoonheid is de vorm van de doelmatigheid, zoals die, zonder aan een doel te denken, wordt ervaren. Kants Religion innerhalb der Grenzen der blossen Vernunft (1793) bracht de Pruisische regering er toe hem een publicatieverbod inzake godsdienst op te leggen.
Beroemd is ook Kant theorie over het ontstaan van de hemellichamen, volgens welke de vorming van hemellichamen mechanisch zou kunnen worden afgeleid (Kant publiceerde haar in 1755 en Laplace, geheel onafhankelijk van hem, in 1796). Verder is zijn opstel: Zum ewigen Frieden (1796), algemeen bekend. Hierin doet Kant voorstellen voor een volkenrecht dat de oorlog onmogelijk zou maken.
KANTIANISME
Noemt men de stroming in de nieuwere wijsbegeerte, die op Kant teruggaat.’Tijdens zijn leven waren vooral K.L. Reinhold (1758-1823), S. Maimon (1753-1800) en de jonge Fichte (1762-1814) zijn aanhangers. Schelling en hegel zijn zonder Kants fundering niet te denken. Herder, Hamann, Goethe, Schiller, Jacobi, zij allen hebben tot Kants denken stelling genomen. Schiller heeft Kants esthetica verder uitgewerkt. Ook Schopenhauer, Nietzsche, Dilthey, Simmel, bergon en Klages, van de existentiefilosofen vooral Jaspers, zij allen zijn op een of andere wijze door Kant beïnvloed, maar de synthese, die hij zocht tussen dogmatisme en empirisme, is in twee stromingen uiteengevallen: speculatief-rationeel (schelling, Hegel) en voluntatief-irrationeel (Schopenhauer, Nietzsche, Kierkegaard).