KALMA, Douwe
Fries letterkundige (1896-1953)
* 3-4-1896, Boxum - † 18-10-1953, Leeuwarden
Oprichter en leider van de ‘Jongfryske Mienskip’ (1915).Onder de leuze ‘Friesland en de wereld’ wilde hij enerzijds verdieping van het Fries-nat., anderzijds aansluiting bij de algemene West-Europese cultuur.
In zijn tijdschrift ‘Frisia’ stelde hij het ideaal van de persoonlijke kunst tegenover de toen gangbare volksschrijverei. Van meet af aan vertaalde hij veel uit de wereldliteratuur, speciaal van de grote Engelse dichters. In zijn lyriek beoefende hij vooral het sonnet (bundels: Dage, 1927; Sangen, 1936).
Zijn Historische Drama’s in verzen waren bedoeld als tegenhangers van het bestaande volkstoneel (de cyclus Keningen fan Fryslân, 6 drama’s, 1920-51, verder o.a. Noarderljocht, 1921, en Fryslân, 1926).
In zijn prozastukken naderde hij weer meer het volkstoneel (o.a. Ruth, 1919, De Roardisten, 1934, Fete, 1950, Hûs op sân, 1954).
Kort voor zijn dood voltooide Kalma zijn Shakespeare-vertaling in het Fries. Bij al zijn werk is vooral de klassiek-romantische stijl opvallend, evenals het zeer persoonlijk taalgebruik.
Werken:
Gysbert Japiks (diss.Gron. 1938)
De Fryske Skriftekennisse (met bloemlez. 3 dln. 1928-39)
Veel publicaties voor Fries onderwijs, o.a. Skiednis fen Fryslân (1935)