Personal tools
You are here: Home F Fa FADDEGON, Barend
Navigation
Sponsor Links
test
 
Document Actions

FADDEGON, Barend

by admin last modified 2004-06-13 04:53 PM

Ned. Sanskrietge­leerde (1874-1955)

* 9.7.1874 Amsterdam, - †  29.6. 1955  Ede.

In 1919 werd Faddegon hoogleraar in het Sanskriet en de alge­mene taalwetenschap te Amsterdam. Zijn hoofdwerk, wat betreft het Sans­kriet, is TheVaiçesika-System descri­bed with the help of the oldest texts (1918). \7oorts maakte hij een Engelse vertaling vanj het Dziainawerk Pravacana-sara van Koenda-Koenda Acarya (1935). Faddegon heeft getracht de Psychoanalytische methode toe te pas­sen op her onderzoek van de indische litteratuur, b.v. in zijn vertaling van Dzjajadeva's Gitagovinda (1932).

 

Een gedicht van B.Faddegon (omstreeks 1925)

met commentaar van Gerrit Komrij

 

Expansie

De stoomboot duikt, en heft den boeg, en helt,

En zwoegt zijn weg langs 't krijtgebergt van Dover;

De koopman met zijn waar steekt zeeën over,

Verkneukelt zich, nu reeds, in 't blankegeld;

 

De kin glanzend van 't gloeilicht bidt de over

Des Heeren, telt zijn zeegningen, en telt...

Het diep geronk snorkt een kanonnenheld;

Vaal-bleek, met gouden glimlach, droomt een slover;

 

Doch wat al schat ons won hun avontuur,

Gij haalt den prijs, o Taal; als bloemen, die,

Hoe menigvoud van teekening en verven,

 

Naar bouworde van steel en blad en nerven,

Zich kozen slippen vier of vijf of drie,

Zoo rijk en toch zoo streng is uw structuur!

 

Gerrit Komrij:

Niet alle slechte poëzie is van idi­oten afkomstig, maar er zijn wel idioten die slechte poëzie hebben geschreven. Gekken die hun boodschap in een boek onder­brengen - in Frankrijk kennen ze het zelfs als apart literair gen­re. Je hebt er het pionierswerk uit 1860 van Octave Delepierre, de Histoire littéraire des fous, en zo'n vijftien jaar geleden verscheen het standaardwerk van André Blavier, Les fous littéraires, een boek inmiddels van bijna dui­zend bladzijden. Alles is in dat genre mogelijk: schrijvers die zichzelf of hun kanarie voor God houden, schrijvers die bewijzen dat Adam en Eva Vlaams heb­ben gesproken, schrijvers die het wereldraadsel verklaren uit de grote teen van Hitler.

          Soms kan ik me niet aan de in­druk ontrekken dat het genre is ontstaan uit een samenzwering van antiquaren en tweedehands­boekhandelaars, in een wanhopi­ge poging kopers te recruteren voor volstrekt onslijtbare tek­sten.

         In Nederland is er niet zo'n overvloed aan literaire gekken. Toch hebben we ze. Zoals de dichter B. Faddegon, uit wiens bundel De Taal Een Academi­sche Les en Sonnetten-Cyclus (Amsterdam, 1924) bijgaand ge­dicht afkomstig is. Zo'n parman­tige titel is meteen al typerend voor een literaire gek. Ook dat hij er ongevraagd commentaar bij levert. Over elk gedicht in zijn cyclus houdt B. Faddegon, 'Bui­tengewoon Hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam', een praatje als volgt:

Wat is te wachten van de toe­komst? Koloniale expansie is een der kenmerken van de huidige Europese ontwikkeling. Studie van de taal der primitieve volke­ren zal een taak zijn van komen­de geslachten.(...)

Talen-typologie en karakter-psy­chologie vinden beide haar ide­aal voorgetekend in de classifica­tie-stelsels der natuurlijke histotie. Kiezen wij als voorbeel­den crocus of tulp, papaver of boterbloem, dan zal reeds een deel der definitie duidelijk zijn: monocotylen met bloemkroon, welke het getal drie tot grondtal heeft, dat is, wierblaadjes drie of een veelvoud van drie in aantal zijn - en met parallel-generfde en parallel-geaderde stengelbla­deren; dicotylen met bloemkroon, welke in blaadjes of slip­jes hetzij vier hetzij vijf tot grondtal heeft, en met stengelbladeren vinnervig of handnervig, en net­vormig geaderd.'

         Helder als glas.

Toen de dichter mij het ge­dicht nog niet had uitgelegd be­greep ik het nauwelijks. Waarom ineens die prijsbehalende Taal na de stoomboot, de koopman, de glanzende kin, de kanonnenheld en de dromende slover? Zou het betekenen dat de taal sterker was dan handel, godsdienst, oorlog? Dan nog bleef ik met die beelden van de zwoegende stoomboot en de gouden glimlach zitten. Wat de dichter wilde zeggen was dat de taal niet in rijkdom en avon­tuur uitblonk, maar in de strengheid van haar satructuur.

Toen de dichter mij het ge­dicht had uitgelegd begreep ik het nog minder. Nu ja, de stoom­boot zal iets met de koloniale ex­pansie te maken hebben en de vaalbleke dromer met de karak­terpsychologie. Eén ding weten we door Faddegons uitleg zeker:

de dichter heeft een idee op rijm gezet dat netzo goed een idee in proza had kunnen blijven.

Faddegon probeert te klinken als die andere ideeën-dichter uit zijn tijd, Johan Andreas Der Mouw. Tot in de beklemtonin­gen, de syntaxis en het rijm toe horen we een echo van de grote dichter. In Faddegons

 

De vingers strekken, - 't ruischt.

In lucht en lijn / Karakters van

Chineesch staan er geteekend, -/

En vluchten van viool-ligato’s spre­ken 't /

In klanken uit. Een arm­zwaai, - ’t is festijn

Of in

Luttel als 't pinkepuntje, op-neer,

en achter-voor, / En dwars geme­ten,

is het wenteltrapje

 

- we horen er een slechte Der Mouw in. Zowel de dichter als de would-be-dichter hebben iets met wiskunde, met taal, met filo­sofie, met kinderleven en - met Brahman. Dat met zulk verge­lijkbaar materiaal de ene gek een dichter wordt en de andere gek een literaire gek, het gaat om ta­lent of geen talent.

Faddegon verzint in zijn en­thousiasme machteloze woorden als sandelgeurenlentewindeweel­de. Faddegon spat in zijn slotre­gels uiteen in kosmische uitroe­pen. Nergens die spanning tus­sen het nietige en het heelal die Der Mouw kenmerkt, nergens dat vermogen een salto mortale te overleven.

Een slechte dichter is niet slecht omdat hij een

epigoon is, maar omdat hij zijn voorbeeld niet begrijpt. Hij slaat overboord waar de ander imperiaal aan het roer blijft. Zijn beeldspraak trap­pelt alle kanten uit, zijn woorden ontsporen, hij kent de verzwegen grenzen niet. Kinderlijkheid wordt stunteligheid. Het is, ik weet het niet, een soort nasprin­gen zonder de danspassen te ken­nen, een soort naspelen, maar dan vals. Het is met eenzelfde in­zet als het grote voorbeeld lucht­sprongetjes maken, net zulke ge­durfde luchtsprongetjes, maar al­tijd verkeerd op de grond te­recht komen.

 


Powered by Plone Powered by Linux Get Firefox

Online sinds 4-3-2004