FADDEGON, Barend
Ned. Sanskrietgeleerde (1874-1955)
* 9.7.1874 Amsterdam, - † 29.6. 1955 Ede.
In 1919 werd Faddegon hoogleraar in het Sanskriet en de algemene taalwetenschap te Amsterdam. Zijn hoofdwerk, wat betreft het Sanskriet, is TheVaiçesika-System described with the help of the oldest texts (1918). \7oorts maakte hij een Engelse vertaling vanj het Dziainawerk Pravacana-sara van Koenda-Koenda Acarya (1935). Faddegon heeft getracht de Psychoanalytische methode toe te passen op her onderzoek van de indische litteratuur, b.v. in zijn vertaling van Dzjajadeva's Gitagovinda (1932).
Een gedicht van B.Faddegon (omstreeks 1925)
met commentaar van Gerrit Komrij
Expansie
De stoomboot duikt, en heft den boeg, en helt,
En zwoegt zijn weg langs 't krijtgebergt van Dover;
De koopman met zijn waar steekt zeeën over,
Verkneukelt zich, nu reeds, in 't blankegeld;
De kin glanzend van 't gloeilicht bidt de over
Des Heeren, telt zijn zeegningen, en telt...
Het diep geronk snorkt een kanonnenheld;
Vaal-bleek, met gouden glimlach, droomt een slover;
Doch wat al schat ons won hun avontuur,
Gij haalt den prijs, o Taal; als bloemen, die,
Hoe menigvoud van teekening en verven,
Naar bouworde van steel en blad en nerven,
Zich kozen slippen vier of vijf of drie,
Zoo rijk en toch zoo streng is uw structuur!
Gerrit Komrij:
Niet alle slechte poëzie is van idioten afkomstig, maar er zijn wel idioten die slechte poëzie hebben geschreven. Gekken die hun boodschap in een boek onderbrengen - in Frankrijk kennen ze het zelfs als apart literair genre. Je hebt er het pionierswerk uit 1860 van Octave Delepierre, de Histoire littéraire des fous, en zo'n vijftien jaar geleden verscheen het standaardwerk van André Blavier, Les fous littéraires, een boek inmiddels van bijna duizend bladzijden. Alles is in dat genre mogelijk: schrijvers die zichzelf of hun kanarie voor God houden, schrijvers die bewijzen dat Adam en Eva Vlaams hebben gesproken, schrijvers die het wereldraadsel verklaren uit de grote teen van Hitler.
Soms kan ik me niet aan de indruk ontrekken dat het genre is ontstaan uit een samenzwering van antiquaren en tweedehandsboekhandelaars, in een wanhopige poging kopers te recruteren voor volstrekt onslijtbare teksten.
In Nederland is er niet zo'n overvloed aan literaire gekken. Toch hebben we ze. Zoals de dichter B. Faddegon, uit wiens bundel De Taal Een Academische Les en Sonnetten-Cyclus (Amsterdam, 1924) bijgaand gedicht afkomstig is. Zo'n parmantige titel is meteen al typerend voor een literaire gek. Ook dat hij er ongevraagd commentaar bij levert. Over elk gedicht in zijn cyclus houdt B. Faddegon, 'Buitengewoon Hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam', een praatje als volgt:
Wat is te wachten van de toekomst? Koloniale expansie is een der kenmerken van de huidige Europese ontwikkeling. Studie van de taal der primitieve volkeren zal een taak zijn van komende geslachten.(...)
Talen-typologie en karakter-psychologie vinden beide haar ideaal voorgetekend in de classificatie-stelsels der natuurlijke histotie. Kiezen wij als voorbeelden crocus of tulp, papaver of boterbloem, dan zal reeds een deel der definitie duidelijk zijn: monocotylen met bloemkroon, welke het getal drie tot grondtal heeft, dat is, wierblaadjes drie of een veelvoud van drie in aantal zijn - en met parallel-generfde en parallel-geaderde stengelbladeren; dicotylen met bloemkroon, welke in blaadjes of slipjes hetzij vier hetzij vijf tot grondtal heeft, en met stengelbladeren vinnervig of handnervig, en netvormig geaderd.'
Helder als glas.
Toen de dichter mij het gedicht nog niet had uitgelegd begreep ik het nauwelijks. Waarom ineens die prijsbehalende Taal na de stoomboot, de koopman, de glanzende kin, de kanonnenheld en de dromende slover? Zou het betekenen dat de taal sterker was dan handel, godsdienst, oorlog? Dan nog bleef ik met die beelden van de zwoegende stoomboot en de gouden glimlach zitten. Wat de dichter wilde zeggen was dat de taal niet in rijkdom en avontuur uitblonk, maar in de strengheid van haar satructuur.
Toen de dichter mij het gedicht had uitgelegd begreep ik het nog minder. Nu ja, de stoomboot zal iets met de koloniale expansie te maken hebben en de vaalbleke dromer met de karakterpsychologie. Eén ding weten we door Faddegons uitleg zeker:
de dichter heeft een idee op rijm gezet dat netzo goed een idee in proza had kunnen blijven.
Faddegon probeert te klinken als die andere ideeën-dichter uit zijn tijd, Johan Andreas Der Mouw. Tot in de beklemtoningen, de syntaxis en het rijm toe horen we een echo van de grote dichter. In Faddegons
De vingers strekken, - 't ruischt.
In lucht en lijn / Karakters van
Chineesch staan er geteekend, -/
En vluchten van viool-ligato’s spreken 't /
In klanken uit. Een armzwaai, - ’t is festijn
Of in
Luttel als 't pinkepuntje, op-neer,
en achter-voor, / En dwars gemeten,
is het wenteltrapje
- we horen er een slechte Der Mouw in. Zowel de dichter als de would-be-dichter hebben iets met wiskunde, met taal, met filosofie, met kinderleven en - met Brahman. Dat met zulk vergelijkbaar materiaal de ene gek een dichter wordt en de andere gek een literaire gek, het gaat om talent of geen talent.
Faddegon verzint in zijn enthousiasme machteloze woorden als sandelgeurenlentewindeweelde. Faddegon spat in zijn slotregels uiteen in kosmische uitroepen. Nergens die spanning tussen het nietige en het heelal die Der Mouw kenmerkt, nergens dat vermogen een salto mortale te overleven.
Een slechte dichter is niet slecht omdat hij een
epigoon is, maar omdat hij zijn voorbeeld niet begrijpt. Hij slaat overboord waar de ander imperiaal aan het roer blijft. Zijn beeldspraak trappelt alle kanten uit, zijn woorden ontsporen, hij kent de verzwegen grenzen niet. Kinderlijkheid wordt stunteligheid. Het is, ik weet het niet, een soort naspringen zonder de danspassen te kennen, een soort naspelen, maar dan vals. Het is met eenzelfde inzet als het grote voorbeeld luchtsprongetjes maken, net zulke gedurfde luchtsprongetjes, maar altijd verkeerd op de grond terecht komen.