EYCK, Aldo Ernest van
Nederlands architect (1918)
* Driebergen 16.3.1918. - † 14.1.1999
Zoon van P.N. van Eyck (dichter), studeerde aan de Technische Hochschule te Zürich, behoort tot de belangrijkste architecten van zijn generatie. Als reactie op de technocratische ontwikkeling van het functionalisme bepleitte deze generatie een meer omvattende architectuurbenadering.
Van Eyck, die sinds 1948 deel uitmaakte van de CIAM en die stichtend lid was van Team 10, ontwikkelde deze vernieuwing vanuit zijn belangstelling voor de eigentijdse kunst en de buiten-Europese volksarchitectuur. Met zijn publicaties in het tijdschrift Forum (waarvan hij tussen 1959 en 1967 redacteur was) oefende hij grote invloed uit in binnen- en buitenland. Van 1966 tot 1976 was hij buitengewoon hoogleraar in architectonisch ontwerpen te Delft; o.a. in de Verenigde Staten gaf hij gastcolleges. Van Eycks bekendste werk is het Burgerweeshuis te Amsterdam (1959), een mijlpaal in de geschiedenis van de moderne architectuur. Het heeft de configuratie van een dorp, met de woningen voor de kinderen gegroepeerd rond overdekte pleinen en straten. Het geheel is in eenvoudige materialen (beton, baksteen, glas) volgens een systeembouw opgetrokken. Dezelfde elementen en materialen die overal terugkeren, doen het voorkomen als een flexibele en uitbreidbare structuur, waarbinnen de typische, architectonische elementen van toegang, overgang en aaneenschakeling een bijzondere betekenis krijgen.
Van Eyck bouwde voorts ruim 700 openbare speelplaatsen in Amsterdam (vrijwel allemaal verdwenen), het beeldenpaviljoen Sonsbeek te Arnhem (1966) en de Pastoor van Arskerk (1968–1970) in 's-Gravenhage. In associatie met Theo Bosch (van 1971 tot 1982) realiseerde hij belangwekkende stedelijke renovaties in Zwolle (1970–1975) en bij de Amsterdamse Nieuwmarkt (1970 vv.). Met het ‘Moederhuis’ in Amsterdam (1976–1981) werd een nieuwe, kleurige fase in Van Eycks werk ingeleid, dat sindsdien resulteerde in een psychiatrische kliniek (1980–1989) en een restaurant en conferentieoord voor ESTEC in Noordwijk (1984–1989), beide in samenwerking met zijn vrouw Hannie van Eyck. In 1992 voltooiden ze de Maranathakerk in Deventer. Begin jaren negentig werd onder Van Eycks leiding het Burgerweeshuis gerestaureerd. (zie foto’s onder)
In 1990 verleende de Britse koningin Van Eyck de Royal Gold Medal for Architecture van de Royal Institute of British Architects.
WERK: De straling van het configuratieve/De pueblo’s, in: Forum, 3 (1962); Het verhaal van een andere gedachte, ibidem, 7 (1959) en ibidem (juli 1967); Deur en raam, ibidem, 3 (1960/1961); De milde raderen van de reciprociteit. Kindertehuis in Amsterdam, ibidem, 6/7 (1960/1961); Dogon, ibidem (juli 1967); Rats, posts and other pests, ibidem, 3 (1980–1981
Estec-restaurant
Interieur van het restaurant van het ESTEC-gebouw in Noordwijk, naar een ontwerp van de architect Aldo van Eyck, in 1989 voltooid. Het interieur van het facilitair gebouw vertoont de verwerking van allerlei invloeden, van art nouveau en naoorlogse Finse architectuur tot aan door Rudolf Steiners antroposofie geïnspireerde organische bouwkunst.
Bij het overlijden van Aldo van Eyck
De vermaarde Nederlandse architect Aldo van Eyck is in de nacht van woensdag op donderdag aan een hartstilstand overleden. Daarvoor had hij enige dagen in coma gelegen. Van Eyck gold lange tijd als de meest vooraanstaande bouwmeester van ons land. Ook in het buitenland stond hij in hoog aanzien.
Zijn meest geroemde bouwwerk is het Burgerweeshuis (1958-1960) in Amsterdam. In Den Haag bouwde hij de Pastoor van Arskerk en zijn laatste schepping, de Algemene Rekenkamer aan het Lange Voorhout. In zijn kleine oeuvre was de Rekenkamer een belangrijk slotakkoord, want tot dan toe was hem in zijn lange carrière een overheidsopdracht onthouden.
Door Casper Postmaa
Als de herinneringen aan Aldo van Eyck op een rij worden gezet, dan ontstaat vooral het beeld van een boze man. Boos op de overheid die hem geen opdrachten gaf, boos op de architectuur die zich verloor in grootheidswaanzin en boos op alle bestuurders die zijn plannen op het laatste moment afkeurden. Die woeden:de tirades waren bij tijden wijle prachtig om te horen, want hij sprong even virtuoos met de taal om als met zijn potlood. Een erfenis die hij kreeg van zijn vader, de dichter P.N. van Eyck. Aan zijn familie heeft Aldo van Eyck ook zijn internationale achtergrond te danken.
Zijn grootouders kwamen uit Suriname, zelf groeide hij op in Engeland waar zijn vader correspondent voor de NRC was en hij studeerde van 1938 tot 1942 aan de Technische Hochschule in Zürich. Door die verstrooide opvoeding en vorming bleef hij altijd enige afstand houden tot de Nederlandse cultuur. Al was hij in Amsterdamse kunstkringen snel een vooraanstaand man. Vooral zijn vroege stellingname ten aanzien van de avant-gardistische kunst van de Cobrabeweging bezorgde hem veel respect. Toen de critici het werk van Appel, Constant en Corneille nog 'geklad, geknoei en geklodder' noemde, had Aldo van Eyck de jonge schilders al in de armen gesloten. Hoewel hij officieel nooit lid is geworden van Cobra kon hij in feite als een van de actiefste leden worden beschouwd. Zijn belangrijkste bijdrage aan Cobra was de inrichting van de twee grote exposities in Amsterdam (1949) en Luik (1951).
Zijn leven lang pleitte Aldo van Eyck, die net als zijn vader dichtte, voor een poëtische, humane architectuur. Vanuit die stelling keerde hij zich vaak verbitterd tegen de Modernen die de architectuur reduceerden tot begrippen als bruikbaarheid en efficiëntie. Zelf trachtte hij zijn gebouwen om de mens heen te boetseren, een wereld waarin kleur en vrijheid bestond. Zijn bronnen voor die denkbeelden haalde hij vanuit de hele wereld, maar met name uit Afrika. Er bestaat een foto van het dak van het Burgerweeshuis waarop de suggestie wordt gewekt dat je over een prachtig, glooiend woestijnlandschap kijkt.
Het weeshuis bracht hem roem en verguizing. Internationaal was er waardering voor de wijze waarop hij de wereld van het kind tot een gebouw transformeerde met spiegeltjes op de grond, zodat de jongens onder de rokken van de meisjes konden kijken, maar er kwam ook veel kritiek en al binnen een paar jaar moest het complex rigoureus worden verbouwd.
Botsingen:
Diverse malen kwam Aldo van Eyck, op wel haast furieuze wijze in botsing met het gemeentebestuur van Den Haag. Eerst omdat de gemeente afzag van zijn pagodeachtige Wilhelmina Monument dat op het Haagse Lange Voorhout zou verrijzen, later omdat de gemeenteraad het advies van de stadhuisjury (waarin Van Eyck) negeerde en Richard Meier in plaats van Rem Koolhaas het stadhuis liet ontwerpen. Van Eyck gruwde van Meiers atrium 'Dan kijk je door het grootste raam van de wereld, naar de grootste zaal van de wereld. En dan kun je maar een ding denkern brrrr...'.
Maar mooier nog is de herinnering aan een bijzonder college aan de TU in Delft. Meer dan duizend studenten hingen, stonden en zaten in de collegezaal om naar een fascinerend, drie uur durend betoog te luisteren. Dat ging ogenschijnlijk niet over bouwen, maar over Afrika, Zuid-Amerika, het leven en filosofie. Misschien is dat wel architectuur. Adieu Aldo.