EVERS, Henri
Bouwmeester van het Rotterdamse raadhuis.(1855-1929)
Hij bouwde het Rotterdamse stadhuis, was jarenlang hoogleraar aan de Technische Hogeschool in Delft en schreef een standaardwerk over de geschiedenis van de bouwkunst. Toch is Evers een vrijwel vergeten architect. De tentoonstelling die het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) over hem heeft ingericht past daarom in de ambitieuze doelstelling van het instituut de Nederlandse architectuurgeschiedenis te herschrijven door aandacht te vragen voor tot nu toe onderbelichte stromingen en ontwerpers.
Het NAi stelde de expositie samen naar aanleiding van de plaatsing van het stadhuis op de monumentenlijst dit jaar en de honderdste verjaardag van Evers' Remonstrantse Kerk aan de Rotterdamse Westersingel, op een steenworp afstand van het instituut.
De geringe bekendheid van Evers (1855-1929) is met name te wijten aan de beperkte omvang van zijn oeuvre. Van hem zijn zo'n vijfendertig ontwerpen bekend, waarvan er maar dertien zijn uitgevoerd. Kennelijk heeft Evers zich als leraar aan de Rotterdamse Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen (1887-190l) en hoogleraar in Delft (1902-1926) zo goed van zijn taak gekweten, dat er van zelf bouwen weinig terecht kwam. Betreurenswaardig, want de selectie van zijn schetsen, tekeningen, maquettes en gipsafgietsels die in het NAi te zien is, dwingt respect af.
Wel rijst de vraag hoe een architect met zo'n bescheiden oeuvre er in slaagde om in 1913 de prestigieuze opdracht te verwerven voor de bouw van het Rotterdamse stadhuis, waaraan hij te danken heeft dat hij niet helemaal in de vergetelheid is geraakt. In 1910 kreeg Evers, die de Rotterdamse burgemeester A.R. Zimmerman goed kende, de opdracht een voor- studie te maken voor het nieuwe stadhuis. Op basis van Evers' voorstudie nodigde de gemeenteraad een aantal architecten uit om deel te nemen aan een prijsvraag, die Evers vervolgens won.
De kwestie leidde tot grote onrust. Velen meenden dat het stadhuis van een moderne, dynamische havenstad als Rotterdam ontworpen moest worden door een moderne architect. En niet door een typisch negentiende-eeuwse bouwmeester als Evers, stevig geworteld in de traditie van de neostijlarchitectuur. Hoezeer de bouwmeesters van Evers' generatie werkten binnen het keurslijf van de historische bouwstijlen is op de tentoonstelling mooi te zien in zijn ontwerp voor 'zes woonhuizen voor den deftigen stand' uit 1879. De zes gevels, een samenraapsel van Franse, Vlaamse en Nederandse renaissancistische bouwstijlen, vormen een wonderbaarlijke showcase van Evers' talent. Zijn talent om historische stijlen te exploiteren, welteverstaan.
Terwijl tijdgenoten als Berlage, De Bazel en Kromhout rond 1900 de noodzaak voelden te zoeken naar nieuwe vormen, bleef Evers werken in historische stijlen. Dat kwam hem op het verwijt te staan een negentiende-eeuwer in de twintigste eeuw te zijn, een tragische overgangsfiguur. In combinatie met zijn bescheiden oeuvre leidde deze kwalificatie tot de marginalisering van zijn werk in de canon van de Nederlandse architectuurgeschiedenis.
Die marginalisering kondigde zich al aan tijdens de bouw van het stadhuis. De pleitbezorgers van een moderne architectuur waren verontwaardigd over de gang van zaken. Berlage, die tien jaar eerder met zijn Amsterdamse beursgebouw de aanzet had gegeven tot de vernieuwing van de Nederlandse architectuur, was door het prijsvraagcomité niet eens gevraagd een ontwerp te maken. De ontwerpen van moderne architecten als Kromhout en De Bazel, die wel hadden deelgenomen, werden terzijde gelegd, Evers' winnende ontwerp was, evenals zijn blok deftige woonhuizen, een meltingpot van historische bouwstijlen: een Fransrenaissancistische opbouw, Hollandse trapgevels, een naar de oosterse centraalbouw gemodelleerde grote hal en details in Egyptische, byzantijnse, Romaanse en gotische stijl. Modernisten beschouwden de uitverkiezing van dit ontwerp als een overwinning van reactionaire krachten, die terugverlangden naar de fantasieloze neo architectuur. De Nieuwe Amsterdammer vertolkte in 1916 de gevoelens van afkeer door te spreken van een 'armzalig bijeen geknutselde Renaissancetent'. De vriendschap tussen Evers en burgemeester Zimmerman werd aangegrepen om de prijsvraag af te schilderen als een race, die van te voren gelopen was.
De gemeenteraad besloot tot de bouw van Evers' stadhuis op een moment waarop het vertrouwen in de toekomst groot was. Nederland was in de laatste decennia van de negentiende eeuw ontwaakt uit de lethargie, die haar een eeuw lang had verlamd, en ontwikkelde zich tot een moderne natie met spoorwegen, industrie, handel en gezag overzee. Rotterdam plukte hiervan de vruchten en groeide uit tot wat Amsterdam in de zeventiende eeuw was geweest: een van de belangrijkste handelssteden ter wereld. Het nieuwe stadhuis vormde de directe architecturale expressie van deze ontwikkeling. In vorm en inrichting verwees Evers dan gok naar het oude Amsterdamse stadhuis van Jacob van Campen Ironisch is dat de eerste palen van het gebouw de grond in gingen in het jaar waarin de Eerste Wereldoorlog uitbrak, waarmee een einde kwam aan de bloeiende wereldhandel en het vooruitgangsgeloof.
In het midden van de expositie staat een verzameling gipsafgietsels, die een vooruitwijzing naar het modernisme lijkt te zijn. De groep doet denken aan Rodins sculptuur De burgers van Calais, maar bij nadere beschouwing blijken het typisch negentiende-eeuwse allegorische figuren, die de deugden verdraagzaamheid, onafhankelijkheid en beleid uitbeelden.
De kleine, verzorgde tentoonstelling geeft een aardig beeld van Evers' oeuvre, en daarmee een in- druk van het werk van de vergeten historiserende bouwmeesters. Wel is het teleurstellend dat de figuur van Evers enigszins verscholen blijft. Zelfs de felle richtingenstrijd rond de bouw van zijn stadhuis wordt marginaal besproken. Het was interessant geweest te weten hoe hij zelf op alle ophef reageerde.