Personal tools
You are here: Home D Das DAUDET, (Louis-Marie) Alphonse,
Document Actions

DAUDET, (Louis-Marie) Alphonse,

by admin last modified 2007-08-12 06:25 PM

Frans schrijver (1840-1897)

* Nîmes 13.5.1840 –  † Parijs 16.12.1897

Van 1860 tot 1865 was hij secretaris van de hertog van Morny en maakte in die tijd reizen naar o.m. Algerije en Corsica. Hij verwierf bekendheid met de autobiografische roman Le petit chose (1868), met de beminnelijke satire op de blufferige Zuid-Fransman Tartarin de Tarascon (1872), maar vooral met Lettres de mon moulin (1869), novellen geschreven tijdens en na een verblijf in Fontvieille in de Provence (dep. Bouches-du-Rhône), waar in de oude molen die hem tot de titel inspireerde thans een aan hem gewijd museum is ingericht (evenals te Auriolles, dep. Ardèche). Later schreef hij een aantal romans die zedenschilderingen zijn van de laatste regeringsjaren van Napoleon III. In Contes du lundi (1873) zijn de herinneringen verwerkt aan de nederlaag van 1871 en de Commune van Parijs. Veel succes had zijn drama l'Arlésienne (1872), vooral door de muziek die (Alexandre César Léopold) Georges Bizet erbij componeerde.

WERK: (o.a.): Les amoureuses (1858; poëzie); Fromont jeune et Risler aîné (1874); Jack (1876); Les rois en exil (1879); Le Nabab (1879); Numa Roumestan (1881); L’évangéliste (1883); Sapho (1884); Tartarin sur les Alpes (1885); Trente ans de Paris (1888); Souvenirs d’un homme de lettres (1888); L’Immortel (1888); Soutien de famille (1898); Notes sur ma vie (1899).

UITG: Œuvres, d. R. Ripoli (1986 vv.).


Links onder: Illustratie van de Myrbach voor de ‘Tartarin de Tarascon’ 
Rechts: De molen van Daudet in de Provence. De faam van de schrijver begon met de uitgave van zijn beroemde ‘Lettres de mon moulin’



La croyance

Je n’ai plus ni foi, ni Croyance

Il n´est pas de fruit défendu

Que ma dent n´ait un peu mordu         

Sur les vieil arbre de Science

Je n´ai plus ni foi, ni Croyance


 

Alphonse Daudet, 100 jaar geleden gestorven, was voor zijn tijdgenoten een sociaal bewogen schrijver. Tegenwoordig is hij bekend als burleske chroniqueur van de Midi, lievelingsstreek van Dicken’s kleine broertje.

Margot Dijkgraaf – december 1997

 


Wie het Rhônedal verlaat om, via Privas en Aubenas, verder zuidwaarts te trekken, zal gauw onder de indruk raken van de woestheid van de Ardèche.

Middeleeuwse dorpjes hebben zich vastgehecht aan steile bergwanden en bieden vergezichten over rivieren die, in de loop van vele eeuwen, diepe kloven hebben uitgesneden in het rotsachtige plateau. De bergengten volgen elkaar op, totdat, bij het dorpje Auriolles, net voor je de Gorges de l' Ardèche bereikt, het landschap tot rust lijkt te komen.


Op een lieflijk glooiende heuvel bevindt zich de Mas de la Vignasse, een eeuwenoud landgoed waar de Franse schrijver Alphonse Daudet als jongen vele zomervakanties doorbracht en waar hij in 1847, zeven jaar oud, verliefd werd op zijn nichtje Marie Reynaud.

Tegenwoordig zijn de oude, gerestaureerde boerderij, de voormalige zijderupsenkwekerij, de stallen en binnenplaats onder de arcaden gewijd aan leven en werk van de schrijver, dichter en toneelcriticus die honderd jaar geleden, op 16 december 1897, overleed.

Sinds het midden van de zeventiende eeuw was de Mas de la Vignasse, die ook wel 'petit Nice' werd genoemd vanwege de mediterrane palmen en pijnbomen die er stonden, eigendom van de familie Reynaud, een geslacht van welgestelde grondbezitters en zijdehandelaars.

Hier groeide Adeline Reynaud op, voordat zij, tegen de zin van haar ouders, trouwde met Vincent Daudet, eigenaar van een kleine zijdefabriek in Nîmes.

Vanaf de dag van de bruiloft zou haar leven van in de watten gelegde jongedame van goede komaf veranderen in dat van een burgervrouw, wat vooral een aaneenschakeling van uitputtende zwangerschappen betekende, zeventien in totaal. Slechts vier kinderen bleven in leven: Henri, Ernest, Alphonse en Anna.

Zijn kinderjaren beschrijft Alphonse Daudet in Le petit chose (1868), één van zijn bekendste romans, waaraan de auteur van Les lettres de mon moulin en Tartarin de Tarascon, mede zijn huidige faam te danken heeft.

De schrijver kondigde Le petit chose aan als 'een soort autobiografie': Daniel, zijn hoofdpersoon, is Alphonse's alter ego.

Tot zijn zesde jaar woonde hij bij Provençaalse boeren, omdat zijn moeder te zwak was om de kinderen die in leven bleven zelf op te voeden. In deze eerste jaren werd de basis gelegd van zijn liefde voor de Midi, de streek die voor Daudet het eeuwige symbool zou zijn van een zonnig, vrij en vrolijk leven. Op de boerderij sprak hij Le provençal, de taal van de streek die zo karakteristiek is voor enkele kleurrijke personages uit zijn literaire werk.

Ter verdediging van de taal, de literatuur en de tradities van de Provence richtte hij in 1857 zelfs een speciaal genootschap op, samen met zijn vriend Frédéric Mistral, de dichter uit het Zuid-Franse Maillane die alleen maar in het Provençaals schreef.

Eeuwig zwanger

Le petit chose is ook voor kritische, eind twintigste-eeuwers een mooie, ontroerende roman. 'Ik hecht vooral waarde aan de emotie!', schreef Daudet, wiens motto 'd'après nature' (naar de natuur) luidde. En inderdaad kun je niet anders dan met sympathie kijken naar dat kleine jochie dat, weggerukt uit zijn paradijselijke olijfgaarden rond de boerderij, plotseling tussen de zijde-fabrieken van Nîmes moet wonen, bij zijn driftige vader en eeuwig zwangere moeder. Al gauw sturen ze hun zoon naar een goed aangeschreven burgerschool met strikte discipline.

De Revolutie van 1848 verloste hem van deze kwelling, maar veroorzaakte tegelijkertijd het failliet van zijn vaders zijdefabriek, waardoor in 1849 de hele familie verhuisde naar Lyon. Daar slaagde zijn vader er niet in een nieuwe zaak op te bouwen en kon hij alleen als rondreizend wijnverkoper emplooi vinden. Het betekende het einde van het gezinsleven: zijn moeder keerde terug naar haar familie in de Midi, de jongste twee zonen moesten zelf hun kostje zien te verdienen, de oudste stierf. Daniel/Alphonse werd surveillant op een school in Als, een stad ten noordwesten van Nîmes, een kwelling voor de te klein uitgevallen, gevoelige jongen. 'Ja, ik ben het echt zelf, schrijft Daudet later in Histoire de mes livres, 'dat kleine ding dat op zestienjarige leeftijd de kost moest verdienen met dat verschrikkelijke beroep van schoolfrik, uitgeleverd aan lompe bergbewoners, kwelgeesten en schijnheilige kwasten die mij minachtend alle vernederingen van een arme sloeber lieten ondergaan.’

Op dit punt scheiden de wegen van Alphonse Daudet en die van zijn alter ego Daniel Eyssette. De laatste vlucht naar Parijs, mislukt er als dichter en trouwt de dochter van een porseleinwinkelier. Daudet zelf echter stort zich in het literaire vie de bohème van Parijs, houdt er een heftig liefdesleven op na en publiceert met succes zijn eerste dichtbundel  Les amourseuses. Ook slaagt hij erin zijn Journalistieke stukken bij verschillende kranten geplaatst te krijgen. Mede dankzij zijn broer Ernest, die zich met een tempo van ongeveer tien boeken per jaar al een plaats heeft veroverd in de Parijse literaire beau monde, houdt Alphonse financieel het hoofd boven water .

Om gezondheidsredenen - de eerste tekenen van syfilis openbaren zich -vertoeft hij veel in de Midi en vanaf 1866 publiceert Daudet in de krant L'Evénement de eerste Lettres de mon moulin.

De schrijver, die vaak logeerde bij familie in Montauban, vlakbij Arles, stelde zich voor dat hij 'heerlijk warm, ver weg van kranten, rijtuigen en mist' de pen ter hand nam in de oude, onbewoonde molen van Fontvieille, die tegenwoordig, mooi gerestaureerd, iedere zomer door vele toeristen bezocht wordt. In het eerste hoofdstuk van de boekuitgave van Lettres de mon moulin schrijft Daudet dat hij 'gisteren getuige was van de terugkeer van de kuddes uit de Alpen naar de boerderij, een spektakel dat ik voor geen goud had willen verruilen voor al de premières die u deze week in Parijs hebt bijgewoond!'

Enkele van zijn 'brieven' werden legendarisch. Welk Frans kind groeide niet op met het geitje van Monsieur Séguin en de verliefde jongeling uit L'Arlésienne?

Honderd jaar geleden prees tijdgenoot Emile Zola de 'brieven' als 'poëtische, Provençaalse legendes en fantasierijke schetsen van het hedendaagse Parijs’.

en nog steeds zijn deze soms sprookjesachtige, bijna altijd tragische vertellingen over de menselijke eigenaardigheden amusant en zeer leesbaar.

Leeuwenjager

Komisch, maar voor een lezer van nu op het flauwe af, zijn de avonturen van Tartarin de Tarascon, de kolderieke, besnorde, dikbuikige leeuwenjager met sabel, die op strooptocht gaat in de droge binnenlanden van Algerije en de besneeuwde Zwitserse Alpen. Deze figuur - een kant-en-klare karikatuur voor een volgende Disneyfilm - is waarschijnlijk grotendeels verantwoordelijk voor Daudets huidige reputatie van folkloristisch, burlesk en Provençaals verhalenverteller.

In Tartarin gaf Daudet zijn voorliefde voor parodie en overdrijving de vrije teugel en ridiculiseerde hij niet alleen brave, domme burgers die hij niet kon uitstaan, maar ook exotische reizigers en bizarre avonturiers, juist de mensen voor wie hij zelf een zwak had.

Toch was Daudet voor zijn tijdgenoten eerder de felle, sociaal bewogen romanschrijver van Jack (1876, over de arbeiders), de chroniqueur van de decadentie in Le Nabab (1877, tijdens het Second Empire van Napoleon III), de bevlogen auteur van Sapho (1884, over zijn jeugdliefde), de satirische criticus van L'immortel (1888, over de Académie française) of de gezworen republikein die tijdens de oorlog tegen Pruisen (1870) dienst nam bij de Nationale Garde. Ook maakte hij de publicatie van een antisemitisch geschrift financieel mogelijk, wat een wig dreef in zijn vriendschap met Emile Zola.

Zijn zoon Léon zou zich ontwikkelen tot een fel antisemitisch polemist.

Voor zijn tijdgenoten stond het bui ten kijf dat Daudet, auteur Van poëzie, vele romans en toneelstukken, behoorde tot de grootste Franse schrijvers ooit. Nog tijdens zijn leven was hij het onderwerp van biografieën. Daudet was een graag geziene gast op de befaamde literaire 'zolder van Goncourt' en samen met Gustave Flaubert, Emile Zola, Edmond de Goncourt en Ivan Toergenjev richtte hij 'diners van de uitgefloten schrijvers' aan. De hele naturalistische school, zoals de realistische stroming uit die tijd wel genoemd wordt, bezocht Daudets literaire salon, net als bijvoorbeeld de beeldhouwster Camille Claudel en de neuroloog Jean-Martin Charcot.


Het succes van de salon was echter niet het minst te danken aan Daudets vrouw Julia Allard, dochter van kunstminnende industriëlen uit parijs en zelf ook schrijfster. Daudet 'erkende dat zij van onschatbare waarde was voor zijn schrijverschap, omdat zij niet alleen de rol van muze vervulde, maar ook die van criticus en correctrice.

Beiden raakten bevriend met Edmond de Goncourt, die Daudet bij zijn dood tot executeur-testamentair aanwees. Zo werd Daudet medeoprichter van de Académie en de prix Goncourt.

Charles Dickens zag in Daudet 'zijn kleine Franse broertje'. Edmond de Goncourt typeerde hem in zijn dagboek hardvochtig als 'een ziekelijk zwijn, met de grillen van een brein waarin wel eens een keer de waanzin zou kunnen binnendringen'. Frédéric Mistral prees Daudet als het eerste ras Provençaalse genie dat de Franse taal de charme meegaf van zijn geboorte grond.

Dit jaar, honderd jaar na zijn dood, werden er vele wetenschappelijke symposia en universitaire lezingen aan zijn werk gewijd. In Auriolles trok, begin augustus, vanuit het Muséé Daudet, een bonte, carnavaleske stoet van  

Zijn personages naar het marktplein, waarop dezelfde dag de wijnfeesten van de Ardèche begonnen. Niets zou Daudet meer plezier hebben gedaan.


Powered by Plone Powered by Linux Get Firefox

Online sinds 4-3-2004