Dagan
Voor-Aziatische god
Ook: Dagon of Daguna.
Voor-Aziatische god, die sinds de Akkadtijd in het gebied van de Midden-Eufraat bekend is.
Men vindt zijn naam in de Ur III tijd in het onomasticon van de teksten uit Drehim en in Oud Assyrische persoonsnamen uit Kültepe (Klein-Azië). In de Oud-babylonische periode werd Dagan veel vereerd; de koningsnamen Iddindagan en Išmedagan (van Isin) tonen dit evenals de door Hammoerapi, blijkens de proloog van zijn codex, jegens de god aan de dag gelegde houding; verder is uit de Mariteksten de verering van Dagan in Mari en in Terqa, o.a. door offers bekend. In Mari en in Terqa bezat Dagan tempels. In de Assyrische koningsinscripties van vroeger en later tijd wordt Dagan meermalen genoemd. Zijn gemalin was de godin Salas. Dagan was wellicht een weer- en vruchtbaarheidsgod.
In het West-Aziatische gebied komt Dagan voor in een persoonsnaam in de Amamabrieven, tevens in Oegariet, waar hij in de mythologie een onbetekenende, in de cultus blijkens zijn tempel aldaar een belangrijke rol moet hebben gespeeld; verder in het 0. T. als Filistijnse god (Recht. 16, 23 vlg.; 1 Sam. 5; 31, 10; 1 Kron.10, 10; vgl. 1 Makk. 10, 83 vlg.; 11,4).
LITT. : G. Dossin, La divination en Mésopotamie ancienne (1966).