DAGGERRE, Louis Jacques Mandé
de uitvinder van de fotografie (1787-1851)
* Cormeilles, Seine-et-L’Oise, 18.11.1787 - † Bry-sur-Marne 10.7.1851
Hij was eerst ambtenaar bij de belastingen en legde zich toen op de schilderkunst toe. Hij was de eerste, die een diorama maakte. Sinds 1826 begon hij met Joseph Nicéphore Nièpce proeven te nemen, om, wat zich in een camera obscure vertoonde, op een gevoelige plaat vast te houden. In 1833 stierf Nièpce en het duurde tot 1839 eer de pogingen met een goede uitslag bekroond werden. Toen konden in de Académie te Parijs de eerste daguerreotype vertoond worden. Daguerre gaf in datzelfde jaar in het licht Histoire et description des procédés du daguerréotype. Nadat hij zijn uitvinding had verbeterd, liet hij in 1844 volgen Nouveau moyen de préparer la couche sensible des plaques, destinées à recevoir les images photographiques.
LITT. : P. Carpentier, Notice sur D., in: Annales de la Soc. libre des beaux arts XVIII (Paris 1855).
boven: een van de eerste Daguerreotype foto
DAGUERREOTYPIE, een in 1837 door Louis Jacques Mandé Daguerre (1787-1851) ontdekte methode voor het vervaardigen van fotografische beelden op zilveren of verzilverde koperen platen waarvan het oppervlak door inwerking van jooddamp is omgezet in het lichtgevoelige zilverjodide. Door inwerking van het licht ontstaat een latent beeld hetwelk wordt ontwikkeld met de damp van kwik dat zich aan de onbelichte partijen hecht, waardoor een positiefbeeld ontstaat. Dit wordt gefixeerd met natriumthiosulfaat oplossing.
Daguerre vond het diorama (1822) (links een diorama, de rage van Parijs van de opwning in 1822 af tot de verwoesting in 1839) en de daguerreotypie (1838) uit. Hij begon in 1824 met proeven om het beeld van de Camera obscure vast te leggen, verbond zich in 1829 met Nièpce (zie foto rechts) en na diens dood in 1833 met diens zoon. In 1838 vond hij door een toeval (het wegzetten van een onvoldoend belichte plaat in een chemicaliënkast) en het scherpzinnig naspeuren van de oorzaak daarvan, het eerste fotografische procédé, de daguerreotypie.
Nadat hij er niet in geslaagd was een maatschappij te vormen om zijn vinding te exploiteren, heeft hij deze op verzoek van de Franse regering gepubliceerd, die hem daarvoor 6000 francs toestond.
1816, before we hear more about the experiments which eventually led him to create the first ever photograph in 1826. This view taken from the upper window of the family mansion near Challon in Burgundy was registered on a pewter plate coated with bitumen of Judea, a substance so insensitive that it took the sun eight hours to bake a crude image into it. Nevertheless, Niépce had at last achieved the first semblance of a permanent, positive Image.
That year the secretive Niépce, betrayed by his lens maker in Paris, was approached by a showman called Louis Daguerre who was also engaged, with little success, in photochemical experiments. Niépce's initial suspicion was understandable: his discovery, if perfected and patented, might well restore the sagging fortunes of his once distinguished family. But the persistent and engaging Daguerre gradually broke down his reserve. Niépce was also much impressed by the Diorama, the showman's palace of illusion where spectacular effects were achieved with vast transparent paintings lit by an ingenious system of windows.
Daguerre had one Diorama in Paris and another in London where The Mirror of Literature, Amusement and Instruction acclaimed his backlit ruins of Holyrood chapel (zie foto rechts:) 'the greatest triumph ever achieved in pictorial art'. The inventor and the illusionist were finally joined in legal partnership in 1829, by which year Niépce was able to make detailed stilllife’s on glass plates. Sadly, the surviving example of this process was lent to a Professor Peignot who, in a fit of madness, smashed his laboratory and with it the historic glass plate. Niépce was still pursuing perfection when he died, unknown and impoverished, in 1833. The task of perfecting the process devolved onto Louis Daguerre who, although he did not know it, now had competition.
Boven: Ontwerp van een décor door Daguerre voor de 3de act van ‘Elodie’ in het Théâtre de l’Abigu comique te Parijs. In England in 1833, the reforming Whigs had just put an end to the worst excesses of electoral corruption and successfully en- franchised the rising middle class. Surprisingly, the young member for Chippenham in that Reform Parliament, though grandson of an Earl and Lord of the Manor at Lacock, was himself a liberal Whig. Hut William Henry Fox Talbot was also a mathematician, botanist, linguist, inventor, and recently married man, who, in the autumn of the year, at last found time for a honeymoon.
It was spent by the shores of Lake Como in Italy where, as he relaxed and sketched with an optical aid, an insight came which led him 'to reflect on the inimitable beauty of the pictures of nature's paintings which the glass lens of the camera throws upon the paper in its focus -fairy pictures, creations of a moment, and destined as rapidly to fade away. It was during these thoughts that the idea occurred to me. ..how charming it would be if it were possible to cause these natural images to imprint themselves durably, and remain fixed on the paper
Boven: Het door Daguerre construeerde fototoestel
Marc Pagneux, fotohandelaar te Parijs, kocht het fotootje (Links) naar eigen zeggen in 1989 op de vlooienmarkt van Porte de Vanves. Het wat vage en verwaaide mannenportret, een zogenaamde daguerreotypie op een formaat van nog geen 5 bij 6 centimeter, kostte hem 200 gulden. Bij thuiskomst ontdekte Pagneux op de achterzijde een naam en een datum: M. Huet/1837. Huet, zo traceerde hij, was de schilder Nicolas Huet en de man op de foto. Maar het was vooral de datum die zijn vondst bijzonder maakte. Klopte het jaartal, dan had hij niet alleen het oudste bewaard gebleven daguerreotypie portret in handen maar ook een nog onbekende vroege foto van de uitvinder van het procédé, Louis Jacques Mandé Daguerre (1787-1851). De vondst, door Pagneux jarenlang geheim gehouden, werd in november vorig jaar wereldkundig gemaakt in Etudes Photographiques, het tijdschrift van de Société Française de Photographie. Sindsdien heeft de foto geleid tot felle discussies die tot op internet te volgen zijn.
Hoe zeker is het dat dat jaartal klopt, vragen vooral Engelse en Amerikaanse deskundigen zich af.
Is het handschrift wel oorspronkelijk? Is er geen sprake van antedatering? Met andere woorden: is deze foto authentiek of gaat het hier om zwendel? Sinds de prijzen van fotografie op de kunstmarkt de afgelopen jaren tot grote hoogten zijn gestegen, hebben ook fraudeurs tenslotte de nieuwe markt ontdekt.
De Fransen op hun beurt willen van twijfel niets weten. Ze hebben het handschrift laten analyseren en de foto technisch onderzocht. De Huet-foto is authentiek, verklaren ze.
Met die claim strijken ze vooral in tegen de haren van de Britse historici die in Henry Fox Talbot (1800-1877) nog altijd dé grondlegger van de fotografie willen zien. Talbot maakte zijn eerste foto's al in 1834 maar maakte de resultaten pas in januari 1839 bekend na het vernemen van de geruchten over Daguerre's vinding. Zijn foto's bleken technisch echter van beduidend mindere kwaliteit. Talbot verbeterde zijn procédé in 1840 door gebruik te maken van negatieven waarvan afdrukken gemaakt konden worden (bij daguerreotypie werd direct een unieke afdruk gemaakt). Dit systeem vormde de grondslag voor de moderne fotografie. Talbots vroegste met zekerheid te dateren portret is van oktober 1840. Uit zijn dagboeken blijkt echter dat hij ook al voor die datum portretten maakte. Deze zijn evenwel verloren gegaan.
Boven: Titelblad van Arago’s openbare bekendmaking van Daguerre’s uitvinding
De daguerreotypie, afbeeldingen gemaakt op met zilver bedekte koperen plaatjes, was de eerste praktisch hanteerbare vorm van fotografie. De details van het procédé werden op 19 augustus 1839 in een gezamenlijke bijeenkomst van de Académie des Sciènces en de Académie des Beaux-Arts in Parijs wereldkundig gemaakt. Oe grote lijnen van de vinding waren al eerder bekend: Oaguerre had eerder vergeefs gepoogd zijn vinding bij opbod voor ten minste 200.000 franc te verkopen. Desondanks geldt deze datum sindsdien als de officiële geboortedatum van de fotografie.
Daguerre begon zijn experimenten in 1829. Hij borduurde voort op de ontdekkingen van zijn landgenoot en compagnon Nicéphore Niépce (1765-1833), die geldt. als de maker van de oudste bewaard gebleven foto. Niépce legde dn 1826, volgens sommige historici 1824, de binnenplaats van zijn huis vast op een tinnen plaatje dat hij insmeerde met een mengsel van teer en zilver. Pas in 1837, het jaar waarin ook de foto van Huet, gemaakt zou zijn, vond Daguerre met het gebruik van tafelzout een oplossing voor het laatste probleem: het fixeren van het op zilver vastgelegde beeld.
Enkele van die eerste foto's zijn bewaard gebleven. Het gaat daarbij echter om straattaferelen en architectuuropnames. Bij de bekendmaking van de vinding ging men er nog vanuit dat het maken van portretten vanwege de noodzakelijke lange belichtingstijden niet mogelijk zou zijn.Daguerre zelf heeft nooit melding gemaakt van door hem vervaardigde portretfoto's voor de sceptici een extra reden tot twijfel aan de Franse beweringen. Ook Pagneux' uitleg van zijn jarenlange zwijgen, hij vond het zo plezierig er in zijn eentje naar te kijken, verklaarde hij, vinden ze weinig geloofwaardig.
Het spreekt voor zichzelf dat Pagneux alle belang heeft bij de vroege datering van de foto: zij zal de prijs aanzienlijk opvoeren. Naar verluidt zou de Franse overheid inmiddels bereid zijn de foto voor een miljoen gulden van hem te kopen. De hoogste prijs die tot nu toe werd betaald voor een daguerreotypie bedraagt 189.500 dollar, in 1995 neergeteld op een veiling in New York voor een vroege foto van het Capitool. De duurste foto aller tijden is het dyptick Noire el Blanche (1926) van Man Ray, dat vorig jaar eveneens in New York 607.500 dollar opbracht.
Onder: foto van het graf van Daguerre.