CAPITEIN, Jacobus Elisa Joannes
Gereformeerd negerpredikant (1717-1747)
Gereformeerd negerpredikant
* Goudkust 1717 - † St George d'Elmina 1.2.1747
Hij studeerde te Leiden, waar zijn verschijning veel indruk maakte, en disputeerde in 1742 over de slavernij als niet in strijd met de Christelijke vrijheid. In hetzelfde jaar verschenen een afscheidsgroet en een aantal preken van hem in druk, alles te Amsterdam. Hij vertrok om predikant te worden op het fort St George d'Elmina, waar hij veel goeds deed, doch ten slotte om de handel zijn eigenlijke werk verwaarloosde, zodat hij ongelukkig ten onder ging.
LITT. : A. Eekhof, De Negerpredikant J.E.J.C (1917) .
Links: Dominee Jacobus Elisa Joannes Capitein (1717-1747) in zijn ambtsgewaad. Hij was op dat moment 25 en net afgestudeerd in Leiden.
Foto: Atlas van Stolk
Boven: Gezicht op het kasteel St. George d’Emina en het daarachter het fort Coenaadsburg Elimina wqs het hoofdkantoor van de West Indische Compagnie in West Afrika
Hij was jong, hij was zwart en hij was een slaaf. En hij had het geluk dat hij eigendom werd van een goedaardige Hollandse koopman die hem theologie liet studeren aan de Leidse universiteit. Daarna ging hij terug naar Afrika om het evangelie te verkondigen. En dat werd geen succes. Maar dat lag niet alleen aan hem. In de gereformeerde kerk van Muiderberg was geen plaats onbezet, die zondag in mei 1742. In Den Haag, een week later, en in Ouderkerk aan de Amstel, begin juni van dat jaar, was de toeloop zo groot dat de kerk te klein bleek voor alle belangstellenden. Een predikant die zoveel mensen naar de kerk trekt, moet wel een bijzondere figuur zijn. En dat was dominee Capitein ook. Niet omdat zijn preken zo opzienbarend waren, daarvoor was hij veel te rechtzinnig in de leer. Maar omdat hij zwart was, een 'Afrikaanse moor' zoals men in die tijd zei.
Het verhaal van deze zwarte dominee begint aan de Goudkust, het huidige Ghana, waar de West-Indische Compagnie een flink aantal handelsposten had, met als hoofdkantoor het vermaarde kasteel St. George d'Elmina. De slavenhaler Aarnout Steenhart ankerde in 1725 voor de Goudkust en kocht voor een prikkie een achtjarig jongetje dat 'van zijn ouders was beroofd'. Steenhart deed enige tijd later het slaafje cadeau aan de ambtenaarkoopman Jacobus van Goch. Die gaf de jongen de naam Capitein, waarschijnlijk omdat hij hem van een scheepskapitein had gekregen. Van Goch had wel aardigheid in de jongen en toen hij in 1728 op het schip van Steenhart naar Holland terugkeerde, nam hij hem mee.
Van Goch vestigde zich in Den Haag, waar Capitein zijn verdere opvoeding ontving. Hij ging op catechisatie bij Johan Philip Manger, predikant van de Hoogduitse gemeente in Den Haag, een man die erg begaan was met het lot van bannelingen en vervolgden. De persoon Manger en diens lessen maakten diepe indruk op de jonge neger, die zich op een dag liet ontvallen dat hij zich wel in de godgeleerdheid zou willen bekwamen en zijn landslieden bekeren.
Toen dit een zekere dominee Velse ter ore kwam, stapte die naar Jacobus van Goch en verzocht hem de neger naar school te zenden. Daar was Van Goch wel toe bereid. Op de Latijnse school ondervond Capitein van alle kanten steun en aandacht: de rector Isaac Valkenaar bemoeide zich persoonlijk met zijn opleiding, de jonkvrouwe Roscam ontving hem aan huis en gaf hem bijlessen in Latijn, Grieks en Hebreeuws, de rechtsgeleerde Pieter Cunaeus diende als 'kruiwagen' bij zijn verdere studie. Het leek wel of de
Haagse betere kringen een soort troeteldier hadden ontdekt.
Boven: Elmina nu. Rechts op de achtergrond het kasteel dat de Hollanders in 1637 op de Portugezen veroverden door het te beschieten vanaf de tegenover gelegen heuvel St. Jago. Op de heuvel bouwde men vervolgens het fort Coenraadsburg. (Bovenstaande foto werd gemaakt vanaf de Coenraadsburg).
Onder: de poort van St. George d’Elmina
Toen Capitein in de vierde klas zat, vond men het tijd dat hij gedoopt werd. Bij die gelegenheid ontving hij de doopnamen Jacobus (naar zijn weldoener), Elisa, Joannes. In zes en een half jaar doorliep hij de Latijnse school, waarna hij, twintig jaar oud, in juni 1737 werd ingeschreven als student theologie in Leiden. Zijn studie werd betaald door Van Goch en omdat hij het evangelie zou gaan verkondigen in zijn geboorteland kreeg hij ook een beurs van het Leidse studiefonds Hallet.
Capitein deed het goed op de universiteit. Hij maakte er vrienden, waaronder de medisch "student Brandijn Ryser, hield na twee jaar zijn eerste voordracht in het Latijn, na vier jaar zijn eerste preek in het Nederlands. Kortom, de heren die een deel van zijn studie betaalden waren over zijn vorderingen 'redelijk wel voldaan'.
Om af te studeren moest hij nu nog één grote openbare redevoering houden en dat gebeurde op 10 maart 1742 in de Pieterskerk in Leiden. Zijn optreden trok zeer de aandacht. Niet alleen omdat daar voor het eerst een in toga gehulde neger in het Latijn een gezelschap blanke regenten toesprak, maar vooral ook door het onderwerp van zijn oratie.
De voormalige slaaf hield namelijk een pleidooi voor de slavernij. Evangelische vrijheid was geestelijk, oreerde hij, en kon heel goed samengaan met lichamelijke slavernij. Ja, een rechtvaardige en zachte slavernij was zo kwaad nog niet. Als de slavernij onder de christenen weer werd ingevoerd, zou dat de maatschappij van heel wat bedelaars en leeglopers verlossen. Nee, concludeerde hij, de slavernij is niet strijdig met het christendom en dus geen beletsel om het evangelie uit te dragen in streken waar slavernij gebruikelijk is.
Enkele bewindhebbers van de West-Indische Compagnie die zich onder zijn gehoor bevonden, moeten dit handenwrijvend hebben aangehoord. Dit was precies in hun straatje. De historicus Eekhof merkt in zijn biografische schets (1917) van Capitein dan ook schamper op: "De Compagnie toch liet het evangelie brengen aan de zwarten, geenszins bewogen met hun zielenheil, maar omdat de opvolging van Christus' bevel God aangenaam zou stemmen, en veel geld in de zak der ‘Bewindhebberen’ zou laten vloeien."
Capiteins verhandeling over christendom en slavernij werd in het Nederlands vertaald en uitgegeven, met zijn portret en het volgende versje van zijn vriend Brandijn Ryser:
Aanschouwer zie deez' Moor! zijn vel is zwart: maar wit zijn ziel,
daar Jezus zelf als Priester voor hem bidt.
Hij gaat Geloof, en Hoop, en Liefde aan Mooren leeren,
Opdat zij, witgemaakt, met hem het Lam steeds eeren.
Zelf liet Capitein zich op het gebied van de dichtkunst ook niet onbetuigd. Op gezwollen toon verheerlijkte hij zijn aankomst als kind in Middelburg ('de deur tot Neerlands paradijs') en het Haagse Bos ('aangenaamste plaats der Nederlanden'). Nadat Johan Manger in 1741 was overleden, publiceerde hij een lofdicht van 80 regels, in het Latijn, op zijn oude leermeester. En hij schreef ook Latijnse lofdichten op zijn vrienden.
In het jaar waarin hij was afgestudeerd werd hij 'beroepen' tot predikant van St. George d'Elmina, waar hij "met een zang om de lippen en de lauwerkransen zijner vrienden om de slapen" (aldus de eerder geciteerde historicus Eekhof) op 8 oktober 1742 behouden aankwam. Zijn traktement was honderd gulden per maand. En daarmee was hij na directeur-generaal Jacob de Petersen (driehonderd gulden) de bestbetaalde ambtenaar aan de Goudkust.
Met voortvarendheid begon hij het kerkelijk leven in te richten. Dat viel niet mee. De Compagnie had in dat jaar aan de Goudkust 241 soldaten en ambtenaren in dienst, waarvan 107 in Elmina. Een flink aantal van hen was buitenlander, voornamelijk Duitsers, Vlamingen en Walen en bovendien rooms of Luthers; alleen daardoor al vielen zij af als toehoorders van de zondagse preek. Daar zullen zij niet rouwig om zijn geweest, want boeien kon Capitein zijn gehoor niet. Door zijn huidkleur dwong hij al niet zoveel respect af. En dan preekte hij ook nog eens in een taal en in een vorm die op de Hollandse klei gebruikelijk was, zo had hij het geleerd. Dat het ruige bestaan onder de Afrikaanse zon een frissere aanpak vereiste drong niet tot hem door. Capitein had toch nog 17 gereformeerde lidmaten bijeen kunnen sprokkelen. Het Heilig Avondmaal kon hij echter niet met hen vieren omdat de meesten van hen met een negerin of tapoejerin (halfbloed) samenleefden en daardoor de 'tafel des Heeren' zouden ontheiligen. Dergelijke relaties waren heel gewoon en Capitein wist niet wat hij eraan moest doen. Hij vroeg de Weledele Groot Achtbare Heren in Holland om raad, maar die hielden zich op de vlakte. Het bleef daarom bij een vermanend opgestoken vinger van de dominee.
Nog in zijn maand van aankomst richtte Capitein een schooltje op voor negerkinderen en tapoejers. Maar met de schoolmeesters zat het tegen. De een na de ander stierf aan malaria en dysenterie. Het aantalleerlingen, hooguit twintig, hield ook niet over. Dat kwam omdat de ouders het nut van lezen en schrijven niet inzagen. De kinderen moesten eerst maar eens leren zwemmen en kanovaren. Bovendien waren de leerlingen voor het merendeel jongens. De ouders dachten namelijk dat dochters die lezen en schrijven konden niet meer in trek zouden zijn bij blanke mannen. In Elmina liep dat zo'n vaart niet, maar ze hielden hun dochter toch maar liever thuis.
Over de vorderingen van de scholieren was Capitein wel tevreden. Hoewel ze in vijf maanden drie nieuwe meesters kregen, hadden de kinderen binnen die tijd het ABC onder de knie en konden ze het Onze Vader opzeggen. Om reclame te maken voor zijn schooltje ging hij praten met de opperhoofden in de omgeving en wist ze alsnog te bewegen hun kinderen naar school te sturen, waardoor het aantal leerlingen verdubbelde. Geruchten over Capitein en diens werk op het kasteel bereikten ook Opoku Ware, de koning van het negerrijk Ashanti.
Op zekere dag arriveerden 12 jongens en 2 meisjes met het verzoek van de koning de kinderen naar Holland te sturen. Hij had ze maar meteen tien olifantstanden meegegeven om de kosten te dekken. Directeur-generaal De Petersen begreep wel dat de bewindhebbers met de 14 kinderen danig in hun maag zouden zitten en liet de koning daarom weten dat dat niet kon, maar dat hij de kinderen bij Capitein op school zou doen. Dat vond de koning goed en die olifantstanden moesten dan maar beschouwd worden als een geschenk aan de bewindhebbers, die met het ivoor zeer in hun schik waren.
Hoewel het met het onderwijs niet onaardig ging, Capitein vertaalde ook het Onze Vader en de Tien Geboden in de lokale taal, rustte er geen zegen op zijn werk als zielenherder. Men zat ook niet echt verlegen om een predikant. In een brief van juli 1745 aan de bazen van de Compagnie klaagt Capitein dat zijn voorgangers "zonder vrugt hebben moeten arbeyden, en bij de meeste Christenen alhier, die in zeden verdorven zijn, gehaet, veragt, belaegt en vervolgt, hunnen dienst hebben moeten pleegen." Voordat Capitein kwam was er overigens acht jaar lang geen predikant aan de Goudkust geweest. De laatste, Isaacus Ketelanus, had het blijkbaar te bont gemaakt en was wegens 'ergerlijk gedrag' ontslagen. Capitein moest zijn doordeweekse catechisatielessen wegens gebrek aan belangstelling opheffen en menigmaal preekte hij zondags maar voor een paar mensen. Dat kwam ook door het hoge sterftecijfer (de Engelsen noemden de Goudkust niet voor niets 'white man's grave') en doordat personeel regelmatig werd overgeplaatst naar andere handelsposten langs de kust. Capitein werd er moedeloos van. Hij bood zelfs zijn ontslag aan. Maar daar gingen de bewindhebbers niet op in. In plaats daarvan stuurden zij hem een zoethoudertje in de vorm van hammen, tabak, pijpen, rode en witte wijn.
En toen werd ook Capitein bevangen door de 'lust des vlezes'; hij wilde trouwen met een jonge negerin. Een huwelijk zou hem behoeden voor de verleidingen van Satan. Bovendien zou hij daarmee eerder het vertrouwen van de heidenen winnen omdat, zoals hij schreef, ze dan konden zien dat hij wel in manier van leven en godsdienst van ze verschilt, maar ze niet veracht.
De vraag deed zich nu voor of Capitein het meisje eerst moest huwen en daarna in de christelijke godsdienst onderwijzen of omgekeerd. Men sloeg er het zogeheten Groot Plakkaatboek van de Compagnie op na en daar stond duidelijk in dat de heidin eerst onderwezen moest worden. Als Capitein dat zelf deed zou hij in opspraak raken,de schoolmeester wilde hij haar ook niet toevertrouwen en een Hollandse vrouw die haar een christelijke opvoeding kon geven was er niet. Dan moest ze maar naar Holland. Maar dat weigerden de ouders van het meisje, tenzij Capitein haar eerst zou huwen. Hij vroeg nu de bewindhebbers om raad en liet weten dat zijn aanstaande alvast bij hem op school ging.
Intussen hadden de kerkvaders in Holland gehoord wat er aan de hand was. Het stak ze vooral dat Capitein het meisje ook als heidin had willen huwen. Ze schreven hem een kwaaie brief. Hoe haalde hij het in zijn hoofd? Een dergelijk huwelijk verbood God toch duidelijk? "Die trouwt, trouwe in den Heere". En ze herinnerden hem nog eens aan zijn gelofte als predikant, Capitein schrok ervan. Omdat er ook in Elmina zelf nogal wat weerstand tegen zijn relatie bestond, zag hij maar van een huwelijk af,
Toch werd hij niet lang daarna alsnog de bruidegom. De regenten in Holland waren blijkbaar niet ongevoelig voor de behoeften van hun 'gehoorzame, dankbare en altoos indachtige dienaar' en zochten zelf een bruid voor hem uit. Ze stuurden een zekere Antonia Glinderdos naar de Goudkust, met wie Capitein in oktober 1746 in het huwelijk trad.
Of het gelukkig was zullen we nooit weten. Maar kort was het wel.
Ontmoedigd door alle tegenwerking en de povere resultaten van zijn werk ging hij omzien naar wat anders. Hij begon handeltjes af te sluiten. Tot misnoegen overigens van de directeur-generaal, want de Compagnie zag niet graag dat haar ambtenaren voor eigen rekening handel dreven, In zijn brieven aan de bewindhebbers deed Capitein het echter voorkomen alsof hij nog volop bezig was met zijn herderlijke taak.
Maar als koopman bakte hij er niets van. De schulden groeiden hem op den duur boven het hoofd. Dat was ook wel te begrijpen, Van zijn traktement van 1200 gulden betaalde hij 300 gulden terug aan Jacobus van Goch, En om er zeker van te zijn dat haar ambtenaren niet tussentijds de benen zouden nemen, hield de Compagnie twee jaar salaris in, dat zij bij terugkeer in Holland kregen uitbetaald, Capitein vraagt zijn schuldeisers om uitstel, maar die 'hebben weinig vertrouwen in een predikant die telkens zegt: "Ik heb het niet, verkoop mijn bed, 't is geen schande." En tegen de chirurgijn Simon van Buuren, die een grote vordering op hem heeft, valt hij op 30 december 1746 woedend uit: "Wat meent gij wel, dat ik mijn tafel zal verminderen en mijn buik te kort doen om uwentwil. Neen, dat niet, dat niet!"
Een maand later, op 1 februari 1747, sterft hij. De eerste zwarte dominee van Nederland en misschien wel van de hele wereld is dan pas dertig jaar.
In Nederland heeft Capiteins roem lang nagesudderd, al begon de fantasie daarbij een steeds grotere rol te spelen. Men beweerde dat hij het christendom verloochend had en onder zijn volk was verdwenen. En zelfs dat hij door zijn heidense stamgenoten om het leven was gebracht, Niettemin hing het portret van 'de moor die predikant werd' aan het eind van de achttiende eeuw nog aan de muur van menige Hollandse huiskamer, Als curiositeit waarschijnlijk.
Tekst: G. Brands
Boven: de Oratie van Capitein. Waarin hij de slavernij niet strijdig achtte met het christen-dom, verscheen in 1742 in druk.
(Het woord ‘Afer’ achter zijn naam betekent ‘Afrikaanse Moor’
LITERATUUR
A, Eekhot De negerpredikant Jacobus Eliza Capitein; Nederlands archief voor kerkgeschiedenis (1917), blz. 138-174, 209-276.
F.L. Bartels: Jacobus Eliza Capitein,1717-1747; in Transactions of the Historical Society of Ghana, Volume IV part 1, 1959.
Meldank aan J. Knol, Mampong-Akwapim, Ghana.