Personal tools
You are here: Home C Cal CALLOT, Jacques
Navigation
Sponsor Links
test
 
Document Actions

CALLOT, Jacques

by admin last modified 2004-05-02 09:29 AM

Frans tekenaar, etser en schilder (1593-1635)

* 1592 Nancy -  † 24.3.1635 aldaar.

Callot J

Omstreeks 1612 vertrok Callot naar Rome, waar hij zich bij Philippe Thomassin in het graveren bekwaamde. Nog in 1612 ging hij naar Florence, waar hij in dienst trad van de groothertogen van Toscane. In die tijd stond hij onder invloed van de Vlaamse maniëristen, vooral van Goltzius; van hen en van de Italiaanse caravaggisten nam hij de voorliefde voor het realistisch uit- beelden van volkstypen over. Een van zijn belangrijkste werken ui~ deze tijd is de Markt van lmpruneta (Uffizi, Florence). In 1621 vestigde hij zich weer in Nancy. Callot was een der productiefste etsers en tekenaars (ca. 1500 etsen, ca. 2000 tekeningen), die door zijn veelzijdigheid grote invloed had op de etstekenkunst in Europa.

Beroemd zijn zijn zeer grote prenten van de belegeringen van Breda en La Rochelle, de vele etsjes met figuren uit de commedia dell' arte en tekeningen van paarden. Tussen 1632 en 33 ontstond de beroemde serie Grandes miseres de la guerre, naar aanleiding van de verovering van Lodewijk XIII van zijn geboortestreek Lotharingen.

LITT.: E. Meaume, Recherches sur la vie et les oeuvres de J. Callot (1860); J. Lieure, J. Callot (1923-28); D. Temois, L 'art de J. Callot (1962).

Callot J Callot J

 

Callot J  Callot

Figuren uit de Commedia dell’arte

Wanneer wij de kleine etsen waarvan u een afbeelding voor u heeft, bekijken, moeten wij dan eerst op de voorstelling letten of op de manier waarop de kunstenaar deze heeft weergegeven? Laten wij met dit laatste beginnen. Binnen het beperkte oppervlak van negen centimeter bij zeven en een half, heeft de etser een hele wereld opgeroepen. Op de voorgrond telkens twee figuren, buitelend, springend of agérend, en op de achtergrond, nauwelijks een centimeter hoog, kleine figuurtjes die op allerlei manieren met elkaar in actie zijn; ge meestal zijn het dezelfde die wij op de voorgrond zien,  maar nu met verschillende toeschouwers erom heen. Let er eens op, hoe raak elk etslijntje is neergezet, zowel de beweeglijke omtreklijnen waarbinnen elk figuurtje is in "samengevat", als de andere die de binnentekening aangeven: plooien, schaduwen en dergelijke. Hetzelfde vinden wij op de grotere ets die een wonderlijke, gemaskerde oude heer voorstelt, gewichtig lopend te met de handen op de rug onder de lange, wijde "talaar" die hij als overkleed draagt. De kunstenaar, Jacques Callot, heeft in een heel groot aantal etsen, het zijn er ongeveer veertienhonderd dertig, allerlei onderwerpen behandeld.

Wanneer wij weten dat hij van 1592 tot 1635 heeft geleefd en nauwelijks n< drieënveertig jaar is geworden, begrijpen wij ineens wat N een harde werker hij geweest moet zijn. Inderdaad moet hij geen ogenblik ongebruikt hebben gelaten. Naast het enorme aantal etsen staat een grote hoeveelheid tekeningen, waarvan verschillende heel wat meer zijn dan vluchtige schetsen.

Callot J  Callot G

Jacques Callot is in Noord-frankrijk, in Nancy, geboren en daar heeft hij ook de latere jaren van zijn leven doorgebracht, na een lange tussenperiode in Italië, voornamelijk te Florence, dat in die jaren de hoofdstad was van het groothertogdom Toscane. Zoals zo vele kunstenaars in die tijd, begon Callot als jong artist, hij was toen zestien jaar oud, met het ondernemen van de gevaarlijke en avontuurlijke tocht naar Italië. Natuurlijk was Rome, de "Eeuwige Stad", daarbij het einddoel. Een paar jaar later werd zijn hulp ingeroepen bij een groot werk in opdracht van Cosimo II, groothertog van Toscane. Eenmaal werkzaam in Florence, ondervond Callot zoveel waardering, dat hij als het ware de tekenende kroniekschrijver werd van alles wat zich in en om het groothertogdom afspeelde. Dat waren in de eerste plaats dagenlang durende feesten met veel vertoon op tonelen; ondernemingen die schatten verslonden. Toen Cosimo II in 1621 kwam te overlijden, bleek de staatskas dan ook leeg te zijn. De bezuiniging maakte dat Callot daar niet langer kon blijven en zo zien wij hem van toen af weer terug in Nancy, waar zijn verblijf nog is onderbroken door tussenpozen te Parijs en in Nederland. Zijn etswerk heeft hier grote indruk gemaakt. Hij was tenslotte de eerste grafische kunstenaar van internationale reputatie.

Voor ons belangrijk is het, dat hij te allen tijde actief bleef. De hier afgebeelde etsjes zijn in Nancy gemaakt, in het jaar 1622. Van de grotere prent weten wij dat zij in 1618 te Florence is ontstaan.

Altijd blijkt Callot een scherp observerend tekenaar . Maar natuurlijk zien wij toch overal in zijn werk dat er tegelijk een ordenende, schikkende en componerende geest werkzaam is geweest. Hier is iemand bezig, die ook de partijen van licht en donker tegen elkaar afweegt en aan zijn composities een vaste bouw geeft, zodat alles evenwichtig over het vlak is verdeeld. Binnen dit samenstel in grote, overzichtelijke partijen weet Callot onnoemelijk fijn te detailleren.

Callot G

Nu de voorstellingen op de etsen die hier zijn afgebeeld. Laten wij beginnen met de grotere prent: de gemaskerde oude man. Hij schijnt op een platform te lopen en op enige afstand achter hem zien wij een aantal toeschouwers die staan te kijken naar wat zich op een tweede platform afspeelt. Daar, op dat toneel -want dat is het -zien wij twee figuurtjes tussen in perspectief weergegeven huizen. Zo, met zulke bouwsels aan weerskanten, moeten wij ons de vroeg zeventiende-eeuwse tonelen in Italië voorstellen.

De oude man is een heel populaire toneelfiguur: de Pantalone uit de Gommedia dell'arte. Met de laatste term zijn wij opeens in een van de meest interessante genres van toneel beland. Het Italiaanse woord "arte" betekent "kunst", maar in dit verband moeten wij veeleer denken aan "beroep". De term wil dus zeggen: een soort van toneel dat uitsluitend gespeeld kan worden door lieden van het vak: het gaat namelijk om virtuoos geïmproviseerd toneel. Stel u voor: een groepje acteurs van wie ieder jarenlang is gespecialiseerd op het vertolken van één type: de oude, dwaze vader, de listige knecht, de bluffende officier, de gewichtig-doende dokter, de jonge geliefde enz. De spelers vinden bij het begin van de voorstelling, achter de schermen, bij een flakkerend lichtje opgeprikt, de inhoud van het stuk dat zij zullen gaan spelen. Van een uitgeschreven tekst is geen sprake: al spelende moeten zij zelf die tekst verzinnen. Natuurlijk moeten de toneelspelers over een geweldige dosis virtuositeit beschikken en bijzonder ad rem zijn. Allerlei actuele gebeurtenissen kunnen er in de dialogen bij wor- den gehaald. De humor is zeker niet altijd even fijn, maar het geheel is in elk geval van de grootste levendigheid.

Pantalone, het type dat wij op Callots ets zien paraderen, is de oude, dwaze vader in de Gommedia dell'arte; meestal gierig, soms hevig verliefd -en tenslotte altijd de verliezende figuur. Callot geeft zijn type en houding weer. Altijd draagt hij een half masker en aan de kin een puntbaardje.

De feitelijke hoofdfiguren zijn overigens de dienaren: boosaardig, listig, altijd uit op eigen voordeel, steeds een loopje nemend met de waarheid, natuurlijk ook altijd verliefd, maar tenslotte degene  die ervoor zorgen, dat alles, aan het einde van het stuk, op zijn pootjes terechtkomt.

Er zijn er heel wat: daar hebben wij onder anderen Pulcinella (in Engeland: Punch en bij ons de directe voorvader van Jan Klaassen), verder bij voorbeeld Pedrolino, later meer bekend geworden als Pierrot, en als meest bekende van allen: Arlecchino, Harlekijn. Hij heeft een lelijk zwart masker en oorspronkelijk droeg hij een gelapt pak dat later is gestileerd tot een kostuum met kleurige ruiten.

Zij, en nog veel andere figuren, buitelen en dollen over het toneel in razende vaart; zij verkondigen de ene dwaasheid na de andere en improviseren de dolste dialogen.

Wat Callot getekend heeft, waren ten dele nog potsenmakers waaruit de Gommedia dell'arte is voortgekomen, maar voor ons doet dit er niet zoveel toe. De vierentwintig etsjes (met inbegrip van een titelblad) zijn, zoals gezegd, in Nancy ontstaan, maar er bestaan nog tekeningen van Callot, meest kleine schetsen die wellicht nog in Italië zijn gemaakt: snelle notities die hij later in de etsen heeft verwerkt.

De spelers van de Gommedia dell'arte zijn in latere eeuwen tot legendarische figuren geworden; wij vinden hen terug in toneelstukken en. ..bij beeldende kunstenaars. Later zijn zij dikwijls sterk van karakter veranderd: soms zelfs geromantiseerd tot melancholieke, dromerige wezens. Denk bij voorbeeld maar aan de Harlekijnsfiguren die Picasso heeft geschilderd.

Willen wij echter een indruk hebben, hoe deze wonderlijke snuiters hun kunsten, hun grappen, hun acrobatentoeren hebben vertoond, dan is er nauwelijks een tweede die ons daar zo precies verslag van geeft als Jacques Callot.

Onder: een prent met de vele figuren uit de commedia dell’art

Callot G

 

Onder: Toneel ‘Il Solimano” 1620 ets met burijn – 19,5 x 27,5 cm nr. 4 van een serie van zes prenten, inclusief het titelblad “Il Solimano tragedia del Co. Prospero Bonarelli”(Florence 1920). Lieure 367, Meaume 438

Callot G

Deze afbeelding van het vierde bedrijf van de tragedie vertoont hetzelfde décor  als de andere tonelen: een plein te Aleppo. Terwijl in deze jaren het nieuwe toneeldecor (zes rijen coulissen met een achterdoek) reeds sporadisch in Italië gebruik is gemaakt, past men hier nog de ouderwetse opstelling toe met tweezijdige gebouwen ter weerszijde van het toneel. Onder de acteurs zijn de namenvan de hoofspersonen afgekort aangegeven: Rusteno, Solimano (koning van Tharcie), Alvante, Despine en Giaffer.

Calder G Calder G

Aan het begin van de 16de eeuw gaf een internationaal vermaard geleerde in twee kleine geschriften, op een ongekende toon een uiterst scherpe veroordeling van de va oorlog. Wij mogen deze geleerde, het is Desiderius Erasmus van Rotterdam, beschouwen als de grote de koploper van de Europese pacifistische beweging. Na zijn de dood werd hij niet vergeten. In 1633, het jaar waarin de twee etsen ontstonden die ons direct bezig zullen houden, waren van zijn vertoog "Zoet is de oorlog voor wie hem niet kennen" vijftien, en van zijn "Klacht van de Vrede" liefst vijfentwintig drukken verschenen, de laatste respectievelijk in 1629 en 1627. Bovendien zagen in de 16de en 17de eeuw talloze publicaties het licht die de voor een deel, en soms vrijwel letterlijk, zoals in Frankrijk, op Erasmus teruggingen. Erasmus' veroordelingen na van de oorlog werden dus, zo mogen we stellen, door 16de en 17de eeuwse lezers verslonden. Maar betekende dit ook dat het aantal oorlogen tegelijkertijd afnam? zij Het tegendeel was waar.

 

Callot G

 

De 17de eeuw is slechts vier jaar zonder strijd geweest, en de grote belangstelling voor Erasmus' aanklachten moet, lijkt mij, verklaard worden uit de hevige vredeshonger waaraan het zwaar geteisterde Europa toen leed. Wanneer wij de beide prachtige prenten met hun afschuwelijke voorstellingen bekijken, dringt zich de vraag op: hoe heeft de maker ervan de Lotharinger Jacques Callot, over de oorlog gedacht? Heeft hij geoordeeld zoals de van wapens afkerige Erasmus en diens navolgers, m.a. w. wees ook Callot de oorlog in ieder opzicht la af, of hield hij er andere ideeën op na? Stond hij misschien aan de zijde der cynische denkers die, nauwelijks een standpunt innemend, het onophoudelijke oorlogvoeren als een gegeven zonder meer aanvaardden? Of nam hij een tussenpositie in, en deelde hij de eveneens gangbare opvatting waarin onderscheid werd gemaakt tussen verwerpelijke en gerechtvaardigde strijd, een opvatting waarvan alweer een Hollander, Hugo de Groot namelijk, de belangrijke vertegenwoordiger is geweest? Ik noem deze mogelijkheden niet om te suggereren dat Callot, Erasmus, Hugo de Groot of andere schrijvers over oorlog en vrede zou hebben gelezen (we weten niets van zijn lectuur op dit gebied), maar ik geef U deze, sterk gesimplificeerde inleiding als een noodzakelijk tijdsdecor: ongeveer die en die opvattingen bestonden er over de oorlog toen Jacques Callot in 1633 zijn "Misères et malheurs de la guerre", de kwalijke gevolgen van de oorlog, in beeld bracht.

Callot deed dat in een serie van achttien scènes vol moord en doodslag, waarvan de voorstelling met de gehangenen de elfde is, en die met de plundering van een dorp de zevende.

Maar intussen liet ik de zojuist gestelde vraag: hoe oordeelde Callot over de oorlog, onbeantwoord, en niet zonder reden. Want de enige bron die ons hierover zou kunnen inlichten, de prenten zelf, dwingt slechts tot het formuleren van een enigszins andere vraag, namelijk: hééft Callot eigenlijk wel een oordeel uitgesproken in zijn prenten? Ik persoonlijk geloof dat hij dit niet heeft gedaan; hij gaf geen oordeel, laat staan een veroordeling. Callot mag de eerste in de kunstgeschiedenis zijn geweest die de ellendigheden van de oorlog in een georganiseerde reeks weergaf, hij was zeker geen Erasmus op het vlak van de beeldende kunst. Nergens in de serie gruwelijke voorstellingen valt een spoor van een waarschuwing of een aanklacht te ontdekken. Callot maakt ons op een treffende manier deelgenoot van weerzinwekkende gebeurtenissen, maar hij onthoudt ons zijn opinie. 

 

Hij objectiveert, hij neemt afstand van zijn onderwerp, en Iaat de feiten voor zichzelf spreken. Iets van het cynisme van degenen die de oorlog als een normaal bestanddeel van het leven beschouwden, zal hem daarbij niet vreemd geweest zijn. Het is trouwens onwaarschijnlijk dat hij zonder cynisme had kunnen maken wat hij gemaakt heeft.

Callot G

Gezien de laatste wereldoorlog, is het een grofheid te beweren dat de mentaliteit in de 17de eeuw onmenselijker was dan in de 20ste. Maar we mogen de verschillen niet uit het oog verliezen. Terechtstellingen vonden in de 17de eeuw gewoonlijk plaats in het openbaar, ook in vredestijd, tot genoegen van de duizenden die er omheen kwamen staan; galgen met opgehangen veroordeelden behoorden tot het dagelijkse beeld van de 17de eeuwse samenleving. Waarom zouden wij aannemen dat juist Callot er van gewalgd heeft? De aanblik van gehangenen had bovendien sinds het begin van de 15de eeuw inspirerend op beeldende kunstenaars gewerkt. In Callots tijd was het reeds een traditioneel thema geworden. Nu moet u niet denken dat de voorstelling met de gehangenen rechtstreeks van de werkelijkheid op de etsplaat is overgebracht. Daarvoor is zij, en misschien klinkt u dat vreemd in de oren, te kunstzinnig, te uitgekiend, te knap gearrangeerd. Callot geeft hier, kunnen we zeggen, een artistieke samenvatting van wat hij i in realiteit verschillende malen moet hebben aanschouwd. Zoals hij in het algemeen, meer dan van één bepaalde oorlog, een beeld geeft van de oorlog, al zal het feit e dat de Misères de la Guerre in Lotharingen ontstond, midden in de oorlog die als de Dertigjarige bekend staat, zeker niet zonder invloed zijn geweest. In de ets met de gehangenen is de kunstenaar te werk gegaan als een soort balletmeester. Hij heeft, de nadruk leggend op het verticale element, zijn spichtige figuranten, de huursoldaten met lansen en geweren, in halve cirkels aan de zijkanten opgesteld, terwijl hij de droeve hoofdrolspelers de twijfelachtige eer gunde van het middentoneel, miserabel boven de wereld uittorenend. Links r onder de boom wachten enkele ongelukkigen tot het hun beurt is. Twee priesters, één halverwege de ladder, staan hen in hun laatste ogenblikken bij. Rechts naast de stam dobbelen twee mannen op een grote trom. Vermoedelijk hebben we hier te maken met de zogenaamde decimering door het lot, hetgeen er op zou wijzen dat, de veroordeelden geen krijgsgevangenen maar militairen, uit het eigen leger zijn. Decimering door het lot betekende namelijk dat van een groep soldaten die zich vergrepen had aan de krijgstucht en daarom ter dood was veroordeeld, een aantal in de gelegenheid werd gesteld zich vrij te dobbelen. Dit gebeurde niet uit menslievendheid maar om de strijdmacht niet al te zeer uit te dunnen. Typerend voor de arrangeur Callot is het groepje geheel rechts op de voorgrond, bestaande uit een priester, een veroordeelde en een soldaat. Dit drietal vormt als het ware een inleiding tot het gehele tafereel.


Wat de betekenis betreft legt het een direct verband met de gebeurtenis in het midden, wat de compositie aangaat werkt het als geleider van het oog de diepte in, en om het effect van deze functie te verhogen heeft de kunstenaar de drie figuren, in strijd met de perspectief, veel te groot weergegeven. Een dergelijke "inleiding" vinden we ook in het donker gehouden huis en de ernaast afgebeelde dieren op de onderste ets, waar we verder soldaten huizen zien plunderen terwijl de bewoners en hun vee worden weggevoerd. Ook hier heeft Callot de compositie nauwkeurig afgewogen, heeft hij de verschillende ingrediënten met veel gevoel voor ritme over het vlak verdeeld, al is dit vlak natuurlijk minder overzichtelijk dan het andere.

Nu wij het steeds over Callot hebben gehad, zult u zich misschien afvragen waarom niet zijn naam, maar de naam Israël linksonder op de prenten voorkomt. De in het Latijn gestelde, afgekorte formule: Israel excudit cum privilegio regis, wijst er op dat de Parijzenaar Israel Henriet met de benodigde koninklijke toestemming de etsen heeft uitgegeven. Callots naam staat wel vermeld op de zogeheten titelprent waarmee de serie wordt geopend: Jacques Callot Noble Lorrain, Lotharinger uit een adellijk geslacht.

Toen Callot zijn Misères de la Guerre maakte, twee jaar voor zijn dood, was hij een beroemd en welgesteld man. Groot geworden in Italië, vooral aan het Florentijnse hof waar hij tot taak had de vele festiviteiten in prent te brengen, kwam hij later o.a. in dienst van Karel IV in Lotharingen. Hij heeft een enorm oeuvre nagelaten, meer dan 1400 prenten en zo'n 1450 tekeningen, waarvan de kwaliteit bepaald niet onder doet voor de kwantiteit. Jacques Callot is zonder twijfel een der geniaals te etsers die Frankrijk heeft voortgebracht. U kunt zich hiervan overtuigen in het Amsterdamse prentenkabinet dat een schitterende verzameling Callot-drukken bezit, waarvan de twee besproken etsen deel uitmaken.

Wie het werk overziet, zal getroffen worden door de variëteit maar ook door de grote eenheid ervan. Er zijn schrijvers die beweerd hebben dat het Callot weinig uitmaakte of hij nu een feest, een toneelvoorstelling, een marktscène of een marteling uitbeeldde. Misschien is dat waar. In ieder geval heeft het feit dat Callot nooit één poging deed om, gelijk Erasmus, als aanklager de geschiedenis in te gaan, zijn roem niet in 't minst geschaad. Hoe vredelievend we ook zijn, vandaag laten we de pacifist Erasmus ongelezen, maar, merkwaardig, kunstzinnig als we zijn, schenken de gruwelen van Callot ons een hoge esthetische voldoening.

Etsen betreffende bijbel en religieuze ideeën

Onder: Het laatste avondmaal

Calder G

Links: de verzoeking van de H. Antonius

( 1 van de 5 etsen 1650)

 

 

 

De verloren zoon bij het kaartspel

Ets, met burijn 11e staat van de beide staten 21,3 x 27,5 cm

Men meent in de gedupeerde jongeman en diens geliefde Callot zelf en zijn jonge vrouw te herkennen; de harpspeelster zou Marguérite Lémon zijn, de geliefde van Antonie van Dyck. De prent wordt ook wel “Le brelan”(spel met 3 kaarten, speelhuis) genoemd, In de 11de staat voegde Callot het latijnse randschrift toe, dat  betrekking heft op de gelijkenis.

Callot G

Links onder: Capricci di varie figure, Balspel op Santa Croce-plein in Florence.

Callot G

 

Omdat hij sterke bindingen had met het hof van de hertog van Nancy, waar zijn vader stalmeester was, genoot Jacques Callot een leerlingschap onder de hoede van Claude Henriet, de schilder van Karel III.

Na diverse vruchteloze pogingen slaagde Callot er in 1608 in om Rome te bereiken, het streven van de gehele eerste generatie kunstenaars van de bewuste 17e eeuw, de stad die sinds het maniërisme een buitengewone inspiratiebron was van hogere kunsten. Daar, in het atelier van de graveur Thomassin, de compagnon van Bellange, perfectioneert Callot zijn techniek volgens de voorbeelden van het nieuwe Vlaamse maniërisme, dat in Rome populair was gemaakt door de kolonie uit het noorden. Zijn manier van werken is zo deskundig, dat hij aan het eind van het jaar te

vinden is aan het hof van Cosimo II. Tussen zijn officiële opdrachten door blijft hij veel prenten maken, met name gezichten op Florence, dikwijls met een nadrukkelijke eigen interpretatie. Zo ook deze Baders, waarbij hij als landschapsachtergrond de silhouetten van de Ponte Vecchio en het Palazzo della Signoria gebruikt.

Deze gezichten op Florence worden gegraveerd tussen 1630 en 1635 bij Henriet in Parijs, in een handschrift dat krachtiger is en dat meer aandacht heeft voor details.

 

 

 


Powered by Plone Powered by Linux Get Firefox

Online sinds 4-3-2004