AKEN, Piet van
Vlaams prozaschrijver (1920-1984)
|
* Terhagen 15.2.1920 – Antwerpen 3.5.1984. Reeds in zijn romandebuut De falende god (1942) liet hij zich kennen als een van de belangrijkste jonge prozaïsten van de generatie die tussen de twee wereldoorlogen opgroeide. Van het begin af koos hij de zijde van de sociaal minderbedeelden. Achtergrond van zijn eerste werken (De duivel vaart in ons, 1946; Alleen de doden ontkomen, 1947; maar vooral Het begeren, 1952; en Klinkaart, 1954, een reeds klassiek geworden novelle, die in 1956 door Paul Meyer werd verfilmd) is het harde leven in de steenbakkerijen van zijn geboortestreek aan de Rupel. Zo verlegde hij in romans als Het hart en de klok (1944), De wilde jaren (1958), De nikkers (1959), De onschuldige barharen (1964) en De jager, niet de prooi (1964) zijn aandacht naar de 'ontmenselijking' van de huidige samenleving, gezien in een ruim perspectief (oorlog, verzet, kolonialisme). De psychologische uildieping van het schuldvraagstuk bij een aantal oud-verzetsstrijders in .'Slapende honden’ ( 1965; staatsprijs v.h. verhalend proza 1966) en de spankracht en knappe opbouw in de beschrijving van de zuiver aangevoelde groei naar volwassenheid van een kind en een puber in Grut. De mooie zomer van 40 (1966) brachten de bevestiging van zijn groot talent. In Agenda van een heidens lezer (1967) bundelde Van Aken vaak schampere, maar steeds van gezond verstand getuigende agressieve standpunten; met andere middelen verwoordt hij hier dezelfde onrust die hem tot zijn scheppende proza inspireert. Werken: Twee van 't gehucht (1938); De falende God (1942); Het hart en de klok (1944); De duivel vaart in ons (1946), Alleen de dooden ontkomen (1947); De wilde jaren. (1958); De nIkkers (1959); De verraders (1962); De onschuldige barbaren (1964). De jager niet de prooi (1964); Slapende honden (1965) ; Grut. De mooie zomer van 40 (1966); Agenda van een heidens lezer (1967 ; kritieken) ; Dood getij (1979). # |
